Bij spuitzonering geldt in de praktijk vaak een afstand van 50 meter tussen agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt en zogenoemde gevoelige functies. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘Afdeling’) van 11 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1410) laat zien dat een kortere afstand mogelijk is, mits die keuze deugdelijk en locatiespecifiek wordt gemotiveerd.
In deze zaak was op korte afstand van een agrarisch perceel een complex voor de huisvesting van arbeidsmigranten voorzien. Appellanten voerden aan dat onvoldoende was gemotiveerd waarom hier met ongeveer 17 meter kon worden volstaan. Volgens hen zou het naastgelegen perceel nog steeds voor een boomkwekerij kunnen worden gebruikt, inclusief het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.
Locatiespecifiek onderzoek blijft doorslaggevend
De Afdeling volgt het betoog van appellanten niet. Van belang is dat meerdere onderzoeken zijn verricht naar de gebruiksmogelijkheden van het naastgelegen perceel en naar de aanvaardbaarheid van de afstand. Uit het onderzoek van SPA WNP volgde dat een spuitzone van minimaal 10 meter in dit geval volstaat. Ook is meegewogen dat drift wordt gereduceerd door verplichte kokosmatten en dat een watergang al een bestaande beperking vormt voor bespuiting nabij de perceelsrand.
Verder acht de Afdeling het relevant dat het om een relatief klein perceel gaat van circa 3.880 m2 en dat het niet aannemelijk is dat machinaal gespoten kan worden. Daarnaast zijn reeds een loods, kas en woning vergund die op het perceel gerealiseerd zullen worden waardoor de drift verder beperkt zal worden. Alles bij elkaar genomen wordt een afstand van 17 meter in deze situatie voldoende geacht.
Relevantie voor de praktijk
Deze uitspraak bevestigt dat de bekende afstand van 50 meter tussen agrarische percelen en gevoelige functies geen harde norm is, maar een jurisprudentiële vuistregel. Afwijking is mogelijk, mits het bevoegd gezag dat goed en locatiespecifiek motiveert. Uit concreet onderzoek dient te blijken dat ter plaatse nog steeds een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bestaat én de agrarische gebruiksmogelijkheden niet onevenredig worden beperkt. Voor initiatiefnemers en gemeenten betekent dit dat maatwerk en feitelijke onderbouwing beslissend blijven.
Voor agrariërs onderstreept de uitspraak dat hun bedrijfsbelangen een belangrijk onderdeel vormen van de ruimtelijke afweging. Wanneer nieuwe gevoelige functies in de nabijheid worden toegestaan, zal het bevoegd gezag expliciet moeten motiveren waarom de bedrijfsvoering niet onevenredig wordt beperkt.
De uitspraak vindt u hier.