Artikel 13 van de Arbowet ziet op de verplichting van een werkgever om zich te laten bijstaan door een of meer deskundige werknemers. Deze verplichting vinden wij eigenlijk niet terug in rechtspraak, op één uitzondering na: de strafzaken tegen twee feitelijk leidinggevers met betrekking tot het jarenlang laten blootstellen van werknemers aan te hoge concentraties van een gevaarlijk stof (formaldehyde).
In februari 2021 zijn twee personen door de rechtbank Overijssel veroordeeld als feitelijk leidinggever. Het Hof Arnhem-Leeuwarden kwam in de arresten van 14 januari 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:181 en 182)eveneens tot een veroordeling van beide personen als feitelijk leidinggever. De arresten trokken mijn aandacht door de uiteenzetting over artikel 13 van de Arbowet.
Als uitgangspunt geldt dat de werkgever voor deskundigheid dient te zorgen binnen het eigen bedrijf. Lukt dat niet, dan wordt bijstand verleend door een combinatie van deskundige werknemers en externe deskundigen. Lukt het überhaupt niet om binnen het bedrijf deskundige werknemers te organiseren, dan wordt de bijstand extern geregeld. Door het Hof wordt daarbij opgemerkt dat ervan uit mag worden gegaan dat het “alleen in zeer bijzondere situaties nodig is een beroep op – louter – externe deskundigen te doen. Te denken valt aan de situatie dat het gaat om werkzaamheden die alleen incidenteel worden gedaan of de situatie waarin het gaat om het doorvoeren van wijzigingen in de technische organisatie.”
Verder volgt uit de arresten en artikel 13, zevende lid, van de Arbowet dat deskundige werknemers in ieder geval medewerking dienen te verlenen aan het verrichten en opstellen van de RI&E en arbeidsbeschermende maatregelen dienen te treffen of daaraan medewerking dienen te verlenen.
Het Hof stelt vast dat voor ieder bedrijf de juiste deskundigheid, ervaring en uitrusting beschikbaar dient te zijn en verwijst daarbij naar het ‘zorg-op-maatprincipe’.
In dit concrete geval was niet voldaan aan de verplichting uit artikel 13 van de Arbowet. Daarbij speelde onder andere mee dat het een groot, professioneel en internationaal opererend bedrijf betrof. Het Hof stelt dat “van een dergelijk bedrijf mag worden verwacht dat deskundige werknemers worden aangesteld en dat zij tijdens het arbeidsproces voldoende in aantal en ervaring aanwezig zijn.” Op basis van de bewijsmiddelen stelt het Hof dat de twee SHEQ-medewerkers onvoldoende deskundig waren. Zij hadden onvoldoende kennis van de gevaarlijke stof en waren zich niet bewust van de gevaren en risico’s van het werken met deze stof.
Tot slot merkt het Hof nog op dat in dit concrete geval het inhuren van externe deskundigen niet voor de hand lag. Het betreft immers een groot bedrijf en er werd intensief met de gevaarlijke stof gewerkt. De betreffende afdeling draaide non-stop, waardoor gezorgd had moeten worden dat er “continu deskundige medewerkers waren om de risico’s te analyseren en beschermende maatregelen te nemen”.