Dient een verzoek om vergoeding van proceskosten in bezwaar te worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in de dwangsomregeling ex artikel 4:17 van de Awb? De Raad van State oordeelt in een uitspraak van 29 april 2026 dat dit niet het geval is, en zoekt daarbij aansluiting bij het arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2024. Uit dat arrest volgt dat een verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar niet kan worden aangemerkt, omdat dit verzoek zodanig is verweven met het besluit op bezwaar dat het daarvan niet kan worden losgemaakt. Om die reden is de dwangsomregeling van artikel 4:17 van de Awb daarop niet van toepassing. Een besluit over proceskosten complementeert (slechts) het algenomen besluit op bezwaar. Kort en goed is volgens de Afdeling een dwangsom bij een apart besluit over proceskosten niet aan de orde.
Ook het verzoek om vergoeding van proceskosten zelf is volgens de Afdeling terecht afgewezen. Daartoe wordt onder meer van belang geacht dat de gemachtigde de neef is van de betrokkenen. Verder heeft de gemachtigde, ondanks herhaaldelijke verzoeken van het college en van de rechtbank, niet aangetoond in hoeverre het verlenen van juridische dienstverlening zijn duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening is. En dit laatste is wel noodzakelijk omdat in het Bpd wordt gesproken over kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.