Op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde. Uit vaste rechtspraak van de Raad van State volgt dat de burgemeester bij de toepassing van deze bevoegdheid echter geen grondwettelijke grondrechten mag beperken en evenmin mag afwijken van wetten in formele zin.
Tegen deze grenzen is de burgemeester van de Gemeente Rotterdam opgelopen. Een artiest die voornemens was op te treden in een club in Rotterdam zou gevaar lopen tijdens dit optreden. Dit volgde uit recente TCI-informatie. Vanwege dit gevaar had de burgemeester aan hem op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet een gebiedsverbod opgelegd voor het centrum van Rotterdam. Het gevolg was dat de artiest niet alleen in zijn bewegingsvrijheid werd beperkt (hetgeen is toegestaan), maar ook in enkele grondrechten (en dat is niet toegestaan). Immers, het gebiedsverbod beperkte hem om tegen betaling op te treden als artiest. Het gebiedsverbod kon dan ook geen standhouden volgens de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam.
De burgemeester heeft echter meer instrumenten in de gereedschapskist waarmee in een dergelijk geval wel kan worden opgetreden. Zo kan op grond van de APV tot sluiting van een openbare inrichting worden overgegaan in het belang van de openbare orde of de leefbaarheid in de omgeving. Op het moment dat duidelijk was dat het gebiedsverbod geen stand kon houden is de burgemeester nog dezelfde dag tot sluiting van de club in kwestie overgegaan op grond van de APV. De burgemeester stelde dat niet alleen de artiest in kwestie gevaar zou lopen maar ook het publiek. Daarmee was volgens de burgemeester de ernstige vrees dat een ernstige aantasting van de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de inrichting of in de omgeving van de inrichting zou plaatsvinden gegeven.
Dit besluit haalt de eindstreep wel. Kort en goed is de voorzieningenrechter met de burgemeester van oordeel dat sprake is van een gevaar voor de openbare orde en een sluiting dan noodzakelijk en proportioneel is. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat zelfs na overleg tussen de politie en de club in kwestie de eigen veiligheidsmaatregelen van de club als onvoldoende zijn beoordeeld. Andere effectieve maatregelen om de dreigende aantasting van de openbare orde te voorkomen zijn niet voorhanden, waardoor alleen een sluiting overblijft.
Beide uitspraken van de voorzieningenrechter vallen goed te volgen. Wel komt de vraag op waarom de burgemeester niet direct heeft ingezet op een sluiting. Weliswaar zou een gebiedsverbod minder impact op de club hebben gehad (want gericht op de persoon), maar het had toch ook op voorhand (vrij) duidelijk moeten zijn dat een dergelijk verbod juridisch (zeer) kwetsbaar was.