Op 5 augustus 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘Afdeling’) een opvallende uitspraak over de toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (‘Awb’) gewezen (ECLI:NL:RVS:2026:4455).
In deze uitspraak gaat het om een niet tijdige bekendmaking van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de verbouw van een bedrijfsgebouw tot datacenter. Daarbij is in beroep geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn (‘college’) inderdaad niet tijdig op de aanvraag had beslist, waardoor een omgevingsvergunning van rechtswege was ontstaan. Het college kwam daartegen in hoger beroep op, maar gaf ook uitvoering aan de opdracht van de rechtbank Amsterdam om de van rechtswege verleende vergunning bekend te maken.
Tegen dat besluit is door een aantal partijen bezwaar gemaakt. Een aantal van deze bezwaren is door het college gegrond verklaard waarna de van rechtswege gegeven beschikking is herroepen. In hoger beroep stelt de aanvrager zich op het standpunt dat deze besluiten op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb van rechtswege onderwerp van het geding zijn.
In reactie daarop overweegt de Afdeling dat de aanvrager op grond van artikel 8:55f, eerste lid, van de Awb een beroep niet het niet tijdig bekendmaken heeft ingesteld. In deze hoger beroepsprocedure staat het oordeel van de rechtbank over het al dan niet terecht nalaten van de bekendmaking centraal, maar niet de (inhoud van de) van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Volgens de Afdeling gaat het namelijk niet om een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit waardoor de beslissingen op bezwaar niet aangemerkt kunnen worden als 6:19-besluiten.
Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:19 van de Awb, volgt dat alleen sprake van een dergelijk besluit kan zijn als het besluit voldoende samenhang vertoont met het in bezwaar of beroep reeds aanhangige besluit. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken I 2010/11, 32 450, nr. 3) worden in dat verband de volgende uitgangspunten genoemd: i) een besluit op een nieuwe aanvraag voor o.a. herziening is geen 6:19-Awb besluit, ii) het nieuwe besluit moet vallen binnen de feitelijke grondslag en de reikwijdte van het eerder genomen besluit, en iii) het besluit wordt niet herzien op basis van een substantieel nieuw feitencomplex.
De Afdeling lijkt in dit geval gewicht toe te kennen aan het feit dat de voorliggende rechtsvragen niet dezelfde zijn. Daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat de bekendmaking – en dus het afgeven – van de omgevingsvergunning een direct gevolg is van het beroep gericht tegen de niet-tijdige bekendmaking en dat sprake is van hetzelfde feitencomplex. Daarnaast zijn dergelijke besluiten – zoals door de Afdeling ook zelf wordt erkend – eerder wel als 6:19-besluiten aangemerkt. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:3838, maar ter vergelijking ook ECLI:NL:RVS:2016:682. Waarom nu wordt gekozen voor een andere lijn wordt niet toegelicht, maar is wel opvallend gelet op andere uitspraken waar een coulantere lijn gehanteerd werd (bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2026:782).
De uitspraak vindt u hier.