De Afdeling heeft op 24 januari jl. uitspraak gedaan over een wijzigingsplan dat voorzag in de mogelijkheid om op een voormalig bedijfskavel twee woningen te realiseren. Appellant woont op het naastgelegen perceel en komt op tegen het plan. Hoewel het een wijzigingsplan betreft, dient de wijziging van de bestemming alsnog getoetst te worden aan de goede ruimtelijke ordening. Een punt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening regelmatig een sta-in-de-weg blijkt, is de vraag of er voldoende parkeergelegenheid geboden wordt. Zo ook in deze uitspraak.

Waar ging het om? In het wijzigingsplan is het college uitgegaan van drie benodigde parkeerplaatsen voor de twee beoogde woningen. Appellant heeft daartegen onder meer aangevoerd dat ten onrechte een korting van 0,51 parkeerplaatsen is toegepast op de berekende parkeerbehoefte. Deze korting is door het college toegepast op grond van het gemeentelijke parkeerbeleid dat bepaalt dat de parkeerbehoefte in de openbare publieke ruimte van het laatste legale gebruik mag worden afgetrokken van de parkeerbehoefte van de nieuwe situatie. Uit het gemeentelijke parkeerbeleid volgt echter dat de voormalige functie niet meer dan vijf jaren ongebruikt mag zijn.

De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het vaststellen van het wijzigingsplan meer dan vijf jaren waren verstreken sinds het gebruik van het perceel door het voormalige bedrijf. Dit bedrijf was namelijk tot 8 december 2015 actief. Daardoor kon het college volgens het eigen parkeerbeleid geen rekening houden met de parkeerbehoefte van dit bedrijf en kon de aftrek van 0,51 parkeerplaatsen niet worden toegepast. Het college probeert het wijzigingsplan nog te redden door te stellen dat de aanvraag voor het wijzigingsplan binnen de vijfjaarstermijn is ingediend en dat daardoor de parkeerbehoefte van het voormalige bedrijf meegenomen mocht worden, maar dit mag niet baten. Het gemeentelijke parkeerbeleid biedt daar namelijk geen ruimte voor. Door het wegvallen van de aftrek zijn vier parkeerplaatsen benodigd. Nu op het perceel geen ruimte is voor een extra parkeerplek en deze ruimte ook ontbreekt in het openbare gebied, vernietigt de afdeling het wijzigingsplan omdat dit in strijd met het gemeentelijk beleid is vastgesteld.

Deze uitspraak bevestigt dat de parkeerbehoefte een lastig punt is en blijft bij de vraag of een beoogde ontwikkeling ruimtelijk gezien wenselijk is. Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2023:4256, ECLI:NL:RVS:2023:3614 en ECLI:NL:RVS:2023:3312. Voor de praktijk is het raadzaam om bij een eventuele discussie over de parkeerbehoefte hier – waar dat kan – pragmatisch mee om te gaan en zekerheidshalve extra parkeergelegenheid te creëren. Dit geldt overigens ook onder de Omgevingswet nu de parkeerbehoefte eveneens een rol speelt bij het toelaten van nieuwe functies in het omgevingsplan. Ook dan zal aangetoond moeten worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden.

Op 7 december 2023 zijn de resultaten van de invoeringstoets Wet open overheid (Woo) aan de Tweede Kamer toegezonden. Met de invoeringstoets is de op 1 mei 2022 in werking getreden Woo geëvalueerd. De uitkomst is dat er een groot aantal fundamentele knelpunten is. Hoewel alle knelpunten met elkaar samenhangen, licht ik hieronder de twee – wat mij betreft – meest fundamentele knelpunten toe. Ook ga ik in op enkele aanbevelingen die – hoe begrijpelijk ze ook zijn – bij mij vragen oproepen.

Overheidsorganisaties voeren de Woo niet goed uit.
Dat de Woo niet goed wordt uitgevoerd, ligt onder meer aan het proces dat nog niet goed is ingericht en het feit dat de informatiehuishouding nog niet op orde is. Denk daarbij aan het ontbreken van overzicht omdat informatie in verschillende systemen of op verschillende schijven is opgeslagen. Daarbij moeten veel ambtenaren Woo-verzoeken naast hun gebruikelijke werkzaamheden behandelen. Dit leidt veelal tot een lagere prioritering van de Woo-verzoeken en een ruimere toepassing van de weigeringsgronden.

Ruimere openbaarheidswetgeving leidt via omvangrijke Woo-verzoeken tot een grote uitvoeringslast.
Overheidsinstanties krijgen regelmatig zeer omvangrijke Woo-verzoeken, zoals bijvoorbeeld de Woo-verzoeken over COVID-19 bij het ministerie van VWS. Het is niet ongebruikelijk dat er honderden documenten onder de reikwijdte van een Woo-verzoek vallen. Er geldt immers een zeer ruim documentbegrip en ambtenaren gebruiken veel documenten in hun processen. De termijn voor het behandelen van een Woo-verzoek bedraagt in beginsel echter maar zes weken (inclusief verdaging). Verzoekers krijgen bijna nooit binnen de termijn hun besluit. Daarnaast is er vaak weinig interactie met verzoekers waardoor er weinig vertrouwen is en weinig begrip voor het proces. Dit leidt vanzelfsprekend weer tot meer procedures. Enerzijds beroepsprocedures wegens niet tijdig beslissen, anderzijds inhoudelijke procedures.

Aanbevelingen
Een van de aanbevelingen is het verankeren van de processtappen voor grote Woo-verzoeken waarbij zowel de overheidsinstantie als de verzoeker verplichtingen hebben. Een andere aanbeveling is het werken met aparte verdagingstermijnen voor kleine en grote Woo-verzoeken. Hoewel deze aanbevelingen begrijpelijk is, roept dit uiteraard wel de vraag op wanneer sprake is van een ‘groot Woo-verzoek’ en welke termijnen dan zouden moeten gelden. Ook wordt aanbevolen om het aantal op te vragen documenten voor niet-journalisten of andere professionele Woo-verzoekers te maximeren. Hoewel ook begrijpelijk, is het de vraag hoe dit zich verhoudt tot het doel van de Woo: het reguleren van de informatievoorziening ten behoeve van de controle op de goede en democratische bestuursvoering van bestuursorganen. Journalisten zijn immers niet de enige personen die relevante informatie kunnen achterhalen.

Kortom, er is op vele fronten nog veel werk aan de winkel.

Op 29 november 2023 heeft de Afdeling in een uitspraak laten zien hoe zij omgaat met de vraag of het belang van een specifieke groep mensen – in dit geval ouderen en mensen met een (visuele) beperking – voldoende is meegewogen in de ruimtelijke besluitvorming.

Meer specifiek stond de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Nijmegen Centrum-Stationsomgeving-5’ ter discussie. Dit bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om een nieuwe entree met voorplein te realiseren. Onder meer de Oogvereniging Nederland kon zich niet met dit bestemmingsplan verenigen omdat het plan met name voor mensen met een visuele beperking niet zou voldoen aan de goede ruimtelijke ordening.

De Oogvereniging heeft daartoe onder meer overwogen dat het bestemmingsplan niet voorziet in een inrichting met een goede bereikbaarheid, veiligheid en toegankelijkheid voor mensen met een visuele beperking. Zo zou het plaatsen van een lift en trappen geen veilige en toegankelijke oplossing bieden, het principe “design voor all” niet gehanteerd zijn en sprak zijn van strijdigheid met het VN-verdrag Handicap.

De Afdeling overweegt dat geen beroep kan worden gedaan op het VN-verdrag Handicap omdat dat geen rechtstreekse werking heeft. Ook heeft de raad rekening gehouden met het Actieplan Inclusie. Binnen de bestemmingen bestaan voldoende mogelijkheden om te komen tot een vanuit dit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaarbare inrichting van het entreegebied, aldus de Afdeling. Daarnaast heeft de raad ter zitting aangegeven dat diverse voorzieningen zullen worden getroffen en dat de verdere planinvulling van het plangebied volgens het principe van “design for all” en het ‘Handboek Nijmegen Toegankelijk’ zal plaatsvinden. Kortom het betoog slaagt niet.

Een andere beroepsgrond die het vermelden waard is maar geen doel treft, is de grond dat voorafgaand geen ervaringsdeskundige met een visuele beperking is ingeschakeld. Vanwege de vaste rechtspraak dat inspraak geen onderdeel is van de in de Wro en Bro geregelde bestemmingsplanprocedure, kan dit namelijk geen gevolgen hebben voor het plan. Dat de stukken bij het bestemmingsplan niet toegankelijk waren voor mensen met een visuele beperking, heeft ook geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure nu de Wro en Bro een exclusieve regeling kennen waaraan getoetst dient te worden, aldus de Afdeling.

Deze uitspraak is illustratief voor de terughoudende toets van de Afdeling bij ruimtelijke besluitvorming. De wettelijke systematiek biedt overigens ook beperkt ruimte voor het meewegen van dergelijke specifieke belangen, anders dan in het kader van de goede ruimtelijke ordening en straks de goede toebedeling van functies. Uiteraard kan in het voortraject wel extra aandacht worden besteed aan specifieke belangen. Wanneer duidelijk is dat dergelijke belangen een rol spelen, loont het voor gemeenten om op voorhand in overleg te treden om zo procedures te voorkomen.

Afgelopen woensdag 4 oktober heeft de Afdeling maar liefst in zeven zaken uitspraak gedaan over natuurvergunningen die zijn verleend aan veehouderijen. De uitspraken zijn deels een vervolg op de drie uitspraken van 7 september 2022 (o.a. ECLI:NL:RVS:2022:2557) waarin de Afdeling voor wat betreft bepaalde type emissiearme stallen heeft geoordeeld dat het onzeker is of zij voldoende effectief zijn. Dit heeft ertoe geleid dat bij het verlenen van nieuwe natuurvergunningen voor emissiearme stallen met het type A1.13 en A1.28 geen gebruik meer mag worden gemaakt van de tot dan toe gebruikte emissiefactoren.

In de uitspraken van 4 oktober blijkt stikstof wederom een groot struikelblok te zijn bij vergunningverlening. In deze uitspraken bevestigt de Afdeling namelijk de eerdere strikte lijn en trekt zij deze door tot emissiearme stallen voor varkens met stalsysteem D3.2.7.1.1 en emissiearme stallen voor pluimvee met stalsysteem E5.11. Ook ten aanzien van deze emissiearme staltypen geldt dat de emissies niet met de vereiste zekerheid kunnen worden vastgesteld. Dit komt doordat de emissiefactoren de werkelijke stikstofuitstoot waarschijnlijk onderschatten, zo blijkt uit rapporten van het CBS en de Commissie Deskundigen Meststoffenwet – recentelijk bevestigd door onderzoek van de Wageningen University & Research. Dit betekent dat emissiearme stallen van de voornoemde typen alleen een natuurvergunning krijgen als uit een zogenoemde passende beoordeling blijkt dat de natuur geen schade oploopt. Alleen dan wordt voldaan aan het voorzorgsbeginsel uit artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, aldus de Afdeling.

De uitspraken van 4 oktober 2023 leiden wederom tot verdere bemoeilijking en vertraging van de vergunningverlening in de veehouderij. Het is nu wachten op het onderzoek dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit laat uitvoeren naar i) of en hoe het stellen van voorwaarden aan de vergunning de variatie in emissies verlaagt, en ii) of en voor welke stalsystemen er gebruik kan worden gemaakt van een onzekerheidsfactor. De uitkomsten van deze onderzoeken worden in het vierde kwartaal van dit jaar verwacht. Dan zal de minister de Kamer ook nader informeren over de mogelijkheden voor toestemmingverlening in het licht van de eisen van de Habitatrichtlijn, aldus de Kamerbrief van 30 juni 2023 (Kamerstukken 35 334, nr. 260).

Relevantie
Bij schadevergoeding vanwege onrechtmatige besluitvorming ligt de bewijslast van de schade, de omvang daarvan en het oorzakelijk verband in beginsel bij degene die stelt dat hij schade heeft geleden. Dit oorzakelijke verband (condicio sine qua non) wordt vastgesteld door het maken van een vergelijking tussen de feitelijke situatie (met onrechtmatig besluit) en de hypothetische situatie (zonder onrechtmatig besluit). In de uitspraak van 28 juni 2023 van de Afdeling wordt ingegaan op de bewijslast die in dat verband op verzoeker rust.

Samenvatting
Wat was er aan de hand? In juni 2016 zijn de aanvragen van appellant voor exploitatievergunningen passagiersvervoer voor vaartuigen afgewezen. Na ongegrondverklaring van de bezwaren, is door rechtbank Amsterdam geoordeeld dat deze besluitvorming onrechtmatig was. Vervolgens zijn in november 2017 alsnog de exploitatievergunningen aan appellant verleend.

Appellant heeft vervolgens verzocht om schadevergoeding vanwege onrechtmatige besluitvorming als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Deze schade zou bestaan uit gemiste omzet uit de exploitatie van de vaartuigen voor de periode juni 2016 tot november 2017.

De vaartuigen die appellant wenste te exploiteren bestonden echter nog niet ten tijde van het nemen van de onrechtmatige besluiten. Desondanks stelt appellant dat hij over voldoende financiering had kunnen beschikken om de vaartuigen tijdig te bouwen en in gebruik te nemen. Ter onderbouwing daarvan heeft appellant onder meer schriftelijke verklaringen uit 2021 van vader en vrienden overgelegd waaruit volgt dat zij bereid waren geld te lenen aan appellant. Ook zou de bank bereid zijn geweest om te financieren en had het vaartuig met de omzet van vijf andere vaartuigen gefinancierd kunnen worden.

Ondanks deze bewijzen, achten zowel de rechtbank Amsterdam als de Afdeling het oorzakelijke verband tussen de onrechtmatige besluiten en de gestelde schade niet op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk gemaakt. Onvoldoende is namelijk aannemelijk gemaakt dat in de hypothetische situatie waarin de exploitatievergunningen direct zouden zijn verleend, appellant de vaartuigen tijdig had kunnen financieren en in gebruik had kunnen nemen. Voor wat betreft de schriftelijke verklaringen acht de Afdeling het van belang dat deze pas in 2021 zijn opgesteld en niet afkomstig zijn van een objectieve en onpartijdige bron. De overgelegde algemene financiële informatie is ook onvoldoende nu een verklaring van een bank – waaruit financieringsbereidheid in 2016 volgt – mist. Ook wordt het niet aannemelijk geacht dat appellant de vaartuigen uit omzet had kunnen financieren nu deze een stuk lager lag dan de kostprijs van de vaartuigen. Appellant heeft ondanks de onrechtmatige besluitvorming dan ook geen recht op schadevergoeding.

De uitspraak bevestigt dat de bewijslast die op een verzoeker om schadevergoeding rust, zwaar is. Onderbouwing door objectieve en verifieerbare gegevens is daarbij het uitgangspunt.

Relevantie
Bij schadevergoeding vanwege onrechtmatige besluitvorming ligt de bewijslast van de schade, de omvang daarvan en het oorzakelijk verband in beginsel bij degene die stelt dat hij schade heeft geleden. Dit oorzakelijke verband (condicio sine qua non) wordt vastgesteld door het maken van een vergelijking tussen de feitelijke situatie (met onrechtmatig besluit) en de hypothetische situatie (zonder onrechtmatig besluit). In de uitspraak van 28 juni 2023 van de Afdeling wordt ingegaan op de bewijslast die in dat verband op verzoeker rust.

Wat was er aan de hand?
In juni 2016 zijn de aanvragen van appellant voor exploitatievergunningen passagiersvervoer voor vaartuigen afgewezen. Na ongegrondverklaring van de bezwaren, is door rechtbank Amsterdam geoordeeld dat deze besluitvorming onrechtmatig was. Vervolgens zijn in november 2017 alsnog de exploitatievergunningen aan appellant verleend.

Appellant heeft vervolgens verzocht om schadevergoeding vanwege onrechtmatige besluitvorming als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Deze schade zou bestaan uit gemiste omzet uit de exploitatie van de vaartuigen voor de periode juni 2016 tot november 2017.

De vaartuigen die appellant wenste te exploiteren bestonden echter nog niet ten tijde van het nemen van de onrechtmatige besluiten. Desondanks stelt appellant dat hij over voldoende financiering had kunnen beschikken om de vaartuigen tijdig te bouwen en in gebruik te nemen. Ter onderbouwing daarvan heeft appellant onder meer schriftelijke verklaringen uit 2021 van vader en vrienden overgelegd waaruit volgt dat zij bereid waren geld te lenen aan appellant. Ook zou de bank bereid zijn geweest om te financieren en had het vaartuig met de omzet van vijf andere vaartuigen gefinancierd kunnen worden.

Ondanks deze bewijzen, achten zowel de rechtbank Amsterdam als de Afdeling het oorzakelijke verband tussen de onrechtmatige besluiten en de gestelde schade niet op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk gemaakt. Onvoldoende is namelijk aannemelijk gemaakt dat in de hypothetische situatie waarin de exploitatievergunningen direct zouden zijn verleend, appellant de vaartuigen tijdig had kunnen financieren en in gebruik had kunnen nemen. Voor wat betreft de schriftelijke verklaringen acht de Afdeling het van belang dat deze pas in 2021 zijn opgesteld en niet afkomstig zijn van een objectieve en onpartijdige bron. De overgelegde algemene financiële informatie is ook onvoldoende nu een verklaring van een bank – waaruit financieringsbereidheid in 2016 volgt – mist. Ook wordt het niet aannemelijk geacht dat appellant de vaartuigen uit omzet had kunnen financieren nu deze een stuk lager lag dan de kostprijs van de vaartuigen. Appellant heeft ondanks de onrechtmatige besluitvorming dan ook geen recht op schadevergoeding.

De uitspraak bevestigt dat de bewijslast die op een verzoeker om schadevergoeding rust, zwaar is. Onderbouwing door objectieve en verifieerbare gegevens is daarbij het uitgangspunt.

Relevantie
Hoe behulpzaam dient een bestuursorgaan te zijn bij het specificeren van een Woo-verzoek? De Rechtbank Midden-Nederland schetst het kader in haar uitspraak van 17 mei 2023.

Samenvatting
De Stichting Platform Authentieke Journalistiek (“de Stichting”) heeft bij 17 bestuursorganen om informatie over Shell verzocht. Van deze bestuursorganen hebben er 11 het Woo-verzoek gecoördineerd behandeld (“de bestuursorganen”). Zij hebben besloten het verzoek buiten behandeling te stellen omdat het niet zou zien op een bestuurlijke aangelegenheid en onvoldoende gespecificeerd zou zijn.

In de uitspraak wordt door de rechtbank eerst het wettelijk kader geschetst waarna zij helder en uitvoerig uiteenzet wat onder ‘voldoende behulpzaam’ bij het preciseren van het verzoek moet worden verstaan. In dat verband wordt door de rechtbank overwogen dat behulpzaam zijn meer inhoudt dan louter een herstel voor verzuim bieden. Het duidt op een inspanningsverplichting om het volgens de wet beoogde doel – een behandelbaar verzoek – te behalen. Vanuit het idee dat openbaarheid de regel en het beoogde doel is, noopt dit tot een actieve houding en responsiviteit van het bestuursorgaan: gezamenlijk met de verzoeker moet gezocht worden naar een rechtvaardige invulling van het verzoek.

In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank een behulpzaam overleg niet tot stand gebracht. De regierol – hoewel niet onrechtmatig – heeft veel beperkingen voor de gesprekken en daarmee het niveau van de behulpzaamheid meegebracht. Daarnaast is de specificering – die wel in de afzonderlijke verzoeken van de Stichting zit – verloren gegaan en is de eigen verantwoordelijkheid van de bestuursorganen onderbelicht gebleven. Er is onvoldoende maatwerk geleverd en daardoor was sprake van onvoldoende daadwerkelijke behulpzaamheid.

Ook had van de bestuursorganen verwacht mogen worden dat ze hun (concept) inventarisaties met de Stichting hadden gedeeld. Hoewel in dit geval de Stichting ook een hardnekkig standpunt innam over de wijze waarop het verzoek behandeld diende te worden, weegt de rechtbank zwaarder dat geen sprake meer was van een geïndividualiseerde behandeling. De houding van de Stichting heeft het proces weliswaar bemoeilijkt, maar desondanks mocht meer behulpzaamheid worden verwacht.

Gelet op het voorgaande herroept de rechtbank de besluiten en draagt de bestuursorganen op om opnieuw te beslissen. Als handvat geeft de rechtbank mee dat de bestuursorganen de aan hen gerichte verzoeken zelf dienen te behandelen en met de Stichting dienen te bespreken zodat de nuanceverschillen helder worden. Daarna is een samenwerking niet uitgesloten. De Stichting zal op haar beurt gehouden zijn om mee te werken en zal haar hardnekkige standpunt over de afdoening los moeten laten.

Kortom, de eis van behulpzaamheid dient niet te lichtvaardig te worden opgevat en noopt tot een kritische houding bij bestuursorganen ten aanzien van hun eigen (behulpzame) handelen.

Relevantie
De maatstaf voor overheidsaansprakelijkheid bij onjuiste informatieverschaffing is vervat in het arrest Den Bosch/Van Zoggel. Deze maatstaf komt erop neer dat indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste informatie is gegeven, sprake kan zijn van onrechtmatig handelen als deze informatie onjuist of onvolledig is en de belanghebbende daardoor op het verkeerde been is gezet. In het arrest van 14 maart 2023 wordt deze maatstaf door gerechtshof ’s-Hertogenbosch toegepast.

Toepassing
In dit geval was sprake van een voorgenomen verkoop van panden onder het voorbehoud dat een omgevingsvergunning zou worden verleend. Na ontvangst van het initiatiefplan zijn binnen de gemeente twijfels gerezen over de vraag of de vergunning verleend zou kunnen worden. Zo zou het beleid over de toepassing van de Wet Bibob gewijzigd worden waardoor de zogenoemde Bibob-toets eerder in het vergunningstraject plaats zou vinden en ook op de vorige eigenaar zou zien.

Omdat de gemeente naar aanleiding van een eerder Bibob-onderzoek vermoedde dat deze beleidswijziging de vergunningverlening in de weg zou staan, heeft de gemeente de kopers uitgenodigd voor een overleg waarin zij hierover zijn geïnformeerd. Naar aanleiding van dit gesprek hebben kopers afgezien van de koop. De gemeente is echter op deze mededeling teruggekomen omdat deze onjuist was.

Het hof rekent de onjuiste informatieverschaffing toe aan de gemeente. Daartoe overweegt het hof dat de gedragingen van de ambtenaren in het maatschappelijke verkeer hebben te gelden als gedragingen van de gemeente nu zij waren belast met behandeling van het initiatiefplan. Tevens is van belang dat de ambtenaren de informatie uit eigener beweging hebben verschaft in een speciaal daartoe georganiseerd overleg. Daarbij betrekt het hof dat de ambtenaren niet zonder meer mochten vertrouwen op de juistheid van de gegevens waar zij hun informatie op hadden gebaseerd nu het slechts ging om een ambtelijk voornemen tot beleidswijziging en de eerdere Bibob-toets niet de daaruit door hen getrokken conclusie rechtvaardigde. Het causaal verband acht het hof gegeven omdat aannemelijk is dat de verkoop wel doorgegaan zou zijn als de onjuiste informatie niet door de gemeente zou zijn verstrekt. Tot slot leidt een belangenafweging niet tot een andere uitkomst gelet op de stelligheid en ondubbelzinnigheid van de uitlatingen van de ambtenaren.

Het voorgaande herinnert eraan dat ambtenaren voorzichtig dienen te zijn bij het verschaffen van informatie. Bij enige mate van onzekerheid dienen uitlatingen – ook bij vooroverleg en initiatiefplannen – voorzichtig geformuleerd te worden en een voorlopig karakter te hebben. Dit voorkomt aansprakelijkheid als de informatie toch onjuist blijkt te zijn terwijl belanghebbenden wel op basis van die informatie hebben gehandeld.

Advocaat(-stagiaire) en gevorderd advocaat bijzonder strafrecht; zie de vacature in het advocatenblad:

Op 1 maart 2023 deed de Afdeling uitspraak in een zaak van onze kantoorgenoot Remko Wijling. De Afdeling oordeelde dat een sluiting van een woning door de burgemeester van Gouda niet evenredig was. Voor de cliënt in kwestie een mooie uitspraak.

Wat deze uitspraak daarnaast opvallend maakt, zijn de omstandigheden die de Afdeling van belang acht bij de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting. Niet alleen de kwetsbaarheid van de bewoners wordt gewogen, maar ook de mogelijkheden voor alternatieve huisvesting worden van doorslaggevend belang geacht door de Afdeling.

Los van de discussie die valt te voeren over de inspanningen die een burgemeester in dit verband al dan niet moet verrichten, illustreert deze uitspraak dat het belangrijk is om de concrete feiten en omstandigheden van het geval goed in beeld te hebben bij de besluitvorming en inzichtelijk te maken hoe die omstandigheden worden gewogen. Voor advocaten die tegen een besluit opkomen ligt uiteraard dezelfde opgave, maar dan in het kader van een bezwaar- of beroepsprocedure.

Advocaat(-stagiaire) en gevorderd advocaat bijzonder strafrecht; zie de vacature in het advocatenblad:

Relevantie
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) heeft afgelopen week geoordeeld dat de juridisch-planologische uitsluiting van internationale werknemers indirecte discriminatie is en daarmee in strijd is met de Dienstenrichtlijn.

Samenvatting
Wat was er aan de hand? De gemeenteraad van Bergen heeft het bestemmingsplan “Parapluherziening nachtverblijf binnen horeca en gemengd” vastgesteld. Dit parapluplan regelt dat arbeidsmigranten niet langer dan drie weken binnen een periode van zes maanden mogen verblijven in een horecabedrijf dat is gericht op het verstrekken van nachtverblijf. De eigenaar van één van de locaties waar het parapluplan op ziet, stelt beroep in tegen het plan omdat hij vreest dat zijn horecabedrijf niet meer rendabel is als er geen arbeidsmigranten meer mogen worden gehuisvest. De eigenaar voert onder meer aan dat het parapluplan in strijd is met de Dienstenrichtlijn, omdat de mogelijkheid van (permanente) huisvesting van arbeidsmigranten planologisch wordt uitgesloten.

De Afdeling overweegt dat – anders dan de gemeenteraad betoogt – de Dienstenrichtlijn inderdaad van toepassing is. Gelet op de omstandigheid dat in de plantoelichting is opgenomen dat de mogelijkheid om internationale werknemers te huisvesten juridisch-planologisch wordt uitgesloten, stelt de Afdeling vast dat sprake is van indirecte discriminatie. Nu de gemeenteraad heeft nagelaten om deze indirect discriminerende handeling gemotiveerd te rechtvaardigen, is het parapluplan in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en wordt het vernietigd.

Kortom, er dient een nieuw plan te komen. Daarbij geeft de Afdeling de gemeenteraad mee dat de thans gegeven motivering ook geen analyse met specifieke gegevens bevat. Een dergelijke analyse is op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie echter wel benodigd voor de toets of de maatregelen – in dit geval de uitsluiting van internationale werknemers – niet verder gaan dan nodig, en of er geen andere minder beperkende maatregelen beschikbaar zijn.