Als een ouder zich meldt als mogelijk gedupeerde in de toeslagenaffaire wordt op grond van artikel 2.7 van de Wht eerst een zogenoemde ‘lichte toets’ uitgevoerd. Deze toets houdt in dat aan de hand van een eenvoudige handmatige beoordeling of data-analyse wordt beoordeeld of een ouder vooruitlopend op de integrale beoordeling als gedupeerde kan worden aangemerkt. Als de lichte toets tot een positieve uitkomst leidt, komt de ouder in aanmerking voor de zogenoemde ‘Catshuisregeling’ en wordt bij besluit een forfaitair bedrag van € 30.000,- toegekend. Het definitieve compensatiebedrag wordt vervolgens vastgesteld in de integrale beoordeling, en de uitkomst van deze beoordeling wordt ook in een besluit vastgelegd.
Het is uiteraard ook mogelijk dat de lichte toets leidt tot het oordeel dat een ouder op dat moment niet als gedupeerde wordt aangemerkt en niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag. Voor die ouders is dan nog geen man overboord, omdat ook zij doorstromen naar de integrale beoordeling. Op basis van het volledige dossier wordt dan nogmaals beoordeeld of zij toch als gedupeerde kunnen worden aangemerkt en een compensatie van (minimaal) € 30.000,- ontvangen.
In afwachting van de uitkomst van de integrale beoordeling wordt vaak wel bezwaar ingediend tegen de afwijzing van de lichte toets. Bij de Afdeling lag in een uitspraak van 25 februari 2026 de vraag voor of er nog procesbelang bestaat bij een dergelijke bezwaarprocedure als zowel de lichte toets als de integrale beoordeling tot een afwijzing hebben geleid. Kort en goed oordeelt de Afdeling dat dit niet het geval is. Om als gedupeerde te worden aangemerkt dient de ouder de discussie te voeren in het kader van de integrale beoordeling, aldus de Afdeling. Op zich is dit oordeel van de Afdeling navolgbaar. Pas met de integrale beoordeling wordt een definitief oordeel over de status van een ouder gegeven. Een afwijzing van de lichte toets houdt daarmee enkel en alleen in dat dat moment geen aanspraak bestaat op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- en houdt geen definitief oordeel in over de status van een ouder.
Dit neemt niet weg dat er wel een aantal kritische kanttekeningen valt te stellen bij dit oordeel van de Afdeling. Immers, niet altijd is even duidelijk of het oordeel uit de lichte toets toch niet doorwerkt naar de integrale beoordeling. Dan is voorstelbaar dat een mate van rechtsbescherming toch nodig is en blijft. En stel dat een ouder in (hoger) beroep alsnog als gedupeerde wordt aangemerkt, dan staat daarmee vast dat de lichte toets een onjuiste uitkomst had en een ouder veel eerder aanspraak kon maken op het forfaitaire bedrag. Voorstelbaar is dat een ouder hierdoor schade stelt te hebben geleden en dit mogelijk een proces-belang oplevert, bijvoorbeeld in de vorm van wettelijke rente. Of dit oordeel van de Afdeling het sluitstuk vormt voor dit soort bezwaren, is dus nog niet geheel zeker.
Een sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet kan zware gevolgen hebben voor bewoners, bijvoorbeeld vanwege medische problematiek. Deze zware gevolgen maken een sluiting echter niet per definitie onevenwichtig. Tegenover de ingrijpende gevolgen voor de bewoners, staan namelijk de belangen van de burgemeester bij sluiting van de woning. Deze beide belangen dienen te worden afgewogen, waarbij aan de ingrijpende gevolgen voor de bewoners wel een zwaar gewicht toekomt.
In een uitspraak van 11 februari 2026 komt de Afdeling naar deze vaste maatstaf tot het oordeel dat een sluiting van een woning door de burgemeester van de Gemeente Overbetuwe geen stand kan houden. Uit de uitspraak volgt dat niet ter discussie staat dat in deze woning een grote hoeveelheid (hard)drugs is aangetroffen en ook overige zaken die wijze op handel in (hard)drugs. Wel staan de medische gevolgen van de sluiting voor een van de bewoners ter discussie in hoger beroep. Anders dan de burgemeester stelt de Afdeling – met de rechtbank – vast dat de medische situatie voldoende is onderbouwd. Alhoewel de gevolgen vanwege een woningsluiting niet expliciet worden gemaakt en uitsluitend een bericht van de huisarts voorhanden is, volgt daaruit voldoende duidelijk dat deze fors zullen zijn.
De Afdeling zet deze forse gevolgen vervolgens af tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting nog wil bereiken, en constateert dat er (zeer) veel tijd is verstreken tussen het constateren van de overtreding en de besluitvorming. De enige doelstelling van de burgemeester – die de woning nog steeds wenst te sluiten – is verder kennelijk nog de (afschrikwekkende) signaalfunctie van een sluiting. Daarvoor is een bestuursrechtelijke herstelsanctie volgens vaste rechtspraak van de Afdeling echter niet bedoeld. Immers, dan verkleurt deze naar een (veel meer) punitieve sanctie met gevolgen van dien. Onder deze omstandigheden komt de Afdeling terecht tot het oordeel dat de gevolgen van de woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
In de welbekende uitspraak van 16 juli 2025 heeft de Afdeling uitgangspunten geformuleerd waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van de evenredigheid van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Deze uitgangspunten gelden – waar van toepassing – niet alleen voor woningen maar ook voor lokalen zoals een coffeeshop.
Tijdsverloop is een van deze uitgangspunten. Als sprake is van een (fors) tijdsverloop zal door een burgemeester moeten worden beoordeeld of een sluiting nog redelijkerwijs zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kunnen deze doelen namelijk uit zicht raken of niet meer of minder relevant worden. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is een sluiting ongeschikt. Denk hierbij aan de situatie dat de woning of het lokaal inmiddels een nieuwe huurder heeft of geen nieuwe incidenten hebben plaatsgevonden.
De beoordeling van tijdsverloop bij de besluitvorming dient dus niet alleen terug te komen in de sluitingsduur, maar dient daaraan vooraf te gaan. Is een sluiting überhaupt nog aangewezen gelet op het tijdsverloop en de doelen die bijvoorbeeld volgen uit het gemeentelijk beleid? Pas als die hobbel is genomen, komt de vraag in beeld welke sluitingsduur is aangewezen.
Een besluit van de burgemeester van de Gemeente Tiel tot sluiting van een coffeeshop dat pas één jaar na een constatering volgde, kon dan ook (terecht) de kritiek van de Afdeling niet doorstaan in een uitspraak van 21 januari 2026. Uit het dossier volgde namelijk verder geen (onderbouwing van de) noodzaak tot sluiting, zodat de Afdeling het middel van een sluiting niet (langer) geschikt achtte. Dat van een sluiting een signaalfunctie uitgaat is op zichzelf juist, maar is onvoldoende indien er geen kenbare omstandigheden zijn waarom een dergelijk signaal nodig is, aldus de Afdeling.
Het enkele feit dat een persoon die een woning aan een ander heeft (onder)verhuurd in detentie zit, maakt volgens de Afdeling in een uitspraak van 28 januari 2026 niet dat deze persoon niet kan beschikken over die woning of ontslagen is van de (basis)zorgplicht om een zekere mate van toezicht te houden op het gebruik van de woning.
Uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat een gedetineerde zijn woning had onderverhuurd aan een goede vriend. In de kelder van de woning werd tijdens deze onderverhuur een hennepkwekerij aangetroffen, die onder toepassing van spoedeisende bestuursdwang direct is ontmanteld. De kosten vanwege deze spoedeisende bestuursdwang zijn door het college van de Gemeente Rotterdam op de gedetineerde als overtreder verhaald.
Alhoewel de uitspraak van de Afdeling (erg) kort is, lijkt de Afdeling ten aanzien van de beschikkingsmacht met name betekenis toe te kennen aan i) de huurovereenkomst op naam van de gedetineerde, ii) het feit dat het energiecontract nog op zijn naam stond en iii) zijn inschrijving in de BRP op het adres van de woning ondanks dat de detentie al geruime tijd duurde.
Omdat sprake was van beschikkingsmacht, had de gedetineerde (ook) een zorgplicht om zich over het goede gebruik van de woning te informeren. Uit de uitspraak volgt niet of sprake was van eerdere signalen of aanwijzingen dat misbruik van de woning werd gemaakt, zodat de Afdeling van een (basis)zorgplicht lijkt uit te gaan. De gedetineerde had – bijvoorbeeld – aantoonbaar toezicht kunnen houden op het gebruik van de woning, door contact te houden met de vriend en de woning regelmatig te (laten) inspecteren.
Alhoewel uit de uitspraak niet (goed) volgt wat de feitelijke situatie was, lijkt de Afdeling in deze uitspraak de lat wel erg hoog te leggen. Dat de gedetineerde beschikkingsmacht had over de woning kan wellicht nog worden gevolgd, maar of het voor hem vanwege zijn detentie ook feitelijk en praktisch gezien nog mogelijk was om toezicht te houden op de woning is voor mij wel de vraag. Los van het feit dat de detentie het moeilijk maakt om contact te houden met personen, is het voor een derde ook niet zonder meer mogelijk om een woning te inspecteren. Hij of zij mag langs een woning lopen, maar deze niet zonder meer betreden.
Het aantreffen van een handelsvoorraad drugs in een woning dient deugdelijk te worden onderbouwd. Bij (grote) voorkeur door middel van het testen en wegen met een gekalibreerde weegschaal van aangetroffen middelen en het vastleggen van deze resultaten in een bestuurlijke rapportage of een (onderliggend) proces-verbaal. Het is daarna aan een huurder of eigenaar van een woning om deze bevindingen gemotiveerd te betwisten en – kort gezegd – zodanige twijfel te laten ontstaan over deze bevindingen dat deze niet of niet volledig aan een besluit tot sluiting van een woning ten grondslag kunnen worden gelegd.
Uit een uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, volgt van een (relatief) zeldzaam voorbeeld waarin een dergelijke betwisting daadwerkelijk slaagt. De burgemeester van de gemeente Gorinchem was tot sluiting van een woning overgegaan vanwege het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs in de woning en had zich daarbij gebaseerd op een bestuurlijke rapportage en het daarin genoemde gewicht van 0,56 gram cocaïne (een handelshoeveelheid). Echter, uit het proces-verbaal van de forensische opsporing volgde van een gewicht van 0,4 gram cocaïne (een gebruikershoeveelheid). Voor deze laatste weging was verder een gekalibreerde weegschaal gebruikt.
Onder deze omstandigheden komt de Afdeling terecht tot het oordeel dat niet van de bestuurlijke rapportage kon worden uitgegaan. Omdat de burgemeester van de gemeente Gorinchem verder geen dekkende verklaring kon geven voor het verschil in gewicht en veronderstelde drugs op bijvoorbeeld een pollepel in de woning niet waren onderzocht, had de burgemeester niet deugdelijk onderbouwd dat een handelshoeveelheid drugs in de woning was aangetroffen.
Ook overigens zag de Afdeling gaan aanleiding voor het oordeel dat in of vanuit de woning in drugs werd gehandeld. Weliswaar was in auto’s van inwonende kinderen een forse hoeveelheid drugs aangetroffen, maar deze auto’s stonden niet op het terrein van de woning geparkeerd en een link met de woning werd niet aannemelijk gemaakt. Verder was een dekkende verklaring gegeven voor een groot bedrag contact geld dat in de woning was aangetroffen, en maakt de enkele aanwezigheid van een grote hoeveelheid contact geld nog niet aannemelijk dat er vanuit een woning in drugs is gehandeld, aldus de Afdeling.
Zoals ieder jaar, worden rond deze tijd de cijfers bekendgemaakt waaruit volgt hoeveel aanslagen met explosieven hebben plaatsgevonden in het afgelopen jaar. Alhoewel het aantal aanslagen gelijk is gebleven, en dus gelukkig niet (verder) is gestegen, is nog steeds sprake van een fors aantal van 1525 aanslagen. De wens om dit een halt toe te roepen, bijvoorbeeld door het Offensief tegen Explosies is dan ook zeer begrijpelijk.
Het ‘Landelijk Handelingskader bij aanslagen met explosieven’ zoals dat begin november 2025 is gepubliceerd vormt dan een buitengewoon nuttig kader. Het gaat in op zowel de preventie van aanslagen als de stappen die kunnen worden gezet nadat een aanslag heeft plaatsgevonden. Alhoewel het kader geen normstellend document betreft, zijn vanuit juridisch (evenredigheids)oogpunt met name de onderdelen die zien op de keuze om al dan niet te sluiten, de nazorg en het onderscheid tussen dader- en slachtofferschap in dit verband interessant. Deze elementen verdienen immers de nodige aandacht tijdens zowel de besluitvorming maar ook in een eventuele procedure naar aanleiding van deze besluitvorming.
Op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht komen de kosten van het inroepen van een deskundige voor vergoeding in aanmerking als i) het inroepen van een deskundige redelijk was en ii) de deskundigenkosten zelf ook redelijk zijn.
Zoals de Raad van State in een uitspraak van 12 november 2025 overwoog, is het gelet op deze maatstaf dus niet vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing. Op dit uitgangspunt bestaan wel uitzonderingen die zich in het bijzonder op het gebied van het omgevingsrecht voordoen. In die zaken kan sprake zijn van beroepsgronden tegen (zeer) veel aspecten van een besluit. Uitgangspunt is dan dat wanneer ter onderbouwing van een beroepsgrond een rapport door een deskundige wordt opgesteld en die beroepsgrond niet slaagt, de kosten in verband met dit rapport niet dan niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Voor beoordelen van de vraag of het inroepen van een deskundige in een concrete zaak redelijk is, is van belang of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Anders gezegd: in deze concrete zaak speelde medische problematiek en was het inschakelen van een medisch deskundige dan ook redelijk.
Voor het beoordelen van de redelijkheid van de kosten van de ingeschakelde medisch deskundige, zoekt de Afdeling in dit concrete geval aansluiting bij artikel 2, eerste lid, onder a en b, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Hierin staan – specifiek ten aanzien van het verrichten van psychologisch en psychiatrisch onderzoek – tarieven opgenomen. Omdat de verzochte kosten deze tarieven niet te boven gingen, acht de Afdeling deze kosten redelijk.
Een woning kan alleen op grond artikel 125 van de Gemeentewet en/of artikel 174 van de Gemeentewet worden gesloten, als duidelijk is dat de woning niet als zodanig wordt gebruikt. Het is aan het bestuursorgaan dat tot sluiting wenst over te gaan, om dit aannemelijk te maken.
In een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg van 30 september 2025, kwam de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de burgemeester van Gemeente Heerlen niet aan deze bewijslast had voldaan. Alhoewel in de woning een ingerichte werkkamer voor het verlenen van seksuele diensten werd aangetroffen, volgde uit het dossier dat de woning ook nog werd bewoond door de verzoeker om een voorlopige voorziening. Een last onder bestuursdwang tot sluiting van de woning op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en/of artikel 174 van de Gemeentewet kon dan ook naar het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter geen standhouden. Immers, nu de woning nog werd bewoond was geen sprake van een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet.
In bezwaar kan mogelijk tot reparatie van dit gebrek worden overgegaan, in die zin dat de grondslag van de sluiting wordt gewijzigd naar artikel 174a van de Gemeentewet. Dan moet wel duidelijk zijn dat sprake is van een zodanige verstoring van de openbare orde rond de woning dat de woning moet worden gesloten. Of de burgemeester deze wijziging rond krijgt in bezwaar, is nog de vraag. De voorzieningenrechter heeft namelijk ook geoordeeld dat het dossier op dit punt nog niet dragend genoeg is.
Als de hoogte van een bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, dient de hoogte ervan te worden getoetst aan artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Kort en goed wordt tot matiging overgegaan indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Uit vaste rechtspraak van de Raad van State volgt dat een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden. Wel is het aan de overtreder om deze bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken.
De noodzaak om in een concreet geval (eerder) van een boetestelsel af te wijken wordt verder groter als in een wettelijk gefixeerd boetestelsel niet of nauwelijks wordt gedifferentieerd op basis van feiten en omstandigheden die voor de evenredigheid van het boetebedrag van belang kunnen zijn. Als het bestuursorgaan niet tot matiging overgaat van een boete, terwijl daartoe vanwege specifieke feiten en omstandigheden van het geval wel aanleiding bestaat, is dit aan de rechter.
Naar deze maatstaven oordeelt de Afdeling in een uitspraak van 24 september 2025 dat een boete vanwege een overtreding van de Alcoholwet vergaand dient te worden gematigd. De overtreding zelf staat hierbij niet ter discussie, een webwinkel bood een fles (kennelijk Chileense) wijn aan tegen een prijs die lager is dan 75% van de prijs die gewoonlijk wordt gevraagd. Dit leidde tot een boete van ruim € 1.300,-. De overtreding was echter veroorzaakt door een automatiseringsfout en er waren direct maatregelen getroffen om herhaling te voorkomen. Volgens verweerder werd met alle (en dus ook deze) omstandigheden voldoende rekening gehouden in het in het Alcoholbesluit neergelegde boetestelsel en bestond er dus geen aanleiding om de evenredigheid nader te beoordelen of de boete te matigen.
De Afdeling stelt eerst vast dat het in het Alcoholbesluit neergelegde (wettelijk) boetestelsel slechts in beperkte mate voorziet in differentiatie van de boetehoogte. Zo voorziet het niet in de mogelijkheid om bij een lichte of eerste overtreding de boete te matigen. Ook is er geen mogelijkheid om te differentiëren tussen een bewuste overtreding en een eenmalige vergissing. Na deze vaststelling oordeelt de Afdeling dat de concrete feiten en omstandigheden van het geval aanleiding hadden moeten vormen voor verweerder om de evenredigheid van de boete nader te bezien. Nu dit niet is gebeurd, is dit aan de rechter en komt de Afdeling tot het oordeel dat de aangevoerde omstandigheden aanleiding zijn om de boete met 75% te matigen.
Voor een overtreder loont het dus niet alleen om concrete feiten en omstandigheden te stellen die kunnen leiden tot boetematiging, maar ook om het betreffende boetestelsel kritisch door te nemen.
Is het houden van paarden in overeenstemming met een woonbestemming? Over deze vraag diende de Raad van State zich in een uitspraak van 17 september 2025 uit te laten naar aanleiding van een handhavingsverzoek gericht tegen (het gebruik van) een paardenbak.
Bij het antwoord op de vraag of het houden van paarden in overeenstemming is met een woonbestemming zijn de specifieke feiten en omstandigheden van het geval van belang, aldus de Afdeling. Daarbij is bepalend of de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft, van dien aard is dat deze planologisch gezien niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het betrokken perceel. Voorzieningen voor het houden van paarden, zoals een paardenbak, moeten hierbij worden betrokken.
Aan de hand van deze maatstaf komt de Afdeling tot het oordeel dat in dit specifieke geval dat de paardenbak niet in strijd is met de geldende woonbestemming. De paardenbak wordt uitsluitend voor privédoeleinden gebruikt, en niet bedrijfsmatig. Verder is sprake van een ruim perceel dat voorheen voor agrarische doeleinden werd gebruikt, is de woning als woonboerderij aangeduid in het bestemmingsplan en ligt het perceel binnen gebied dat op grond van de geldende bestemming “Landelijk gebied” niet alleen voor wonen, maar ook nog steeds voor onder meer agrarische bedrijven is bestemd.
Naar deze specifieke feiten en omstandigheden komt de Afdeling tot het oordeel dat een paardenbak valt te rijmen met de bestemming. Het college van Gemeente Waadhoeke hoefde dus niet handhavend op te treden. Waren er bijvoorbeeld (veel) meer voorzieningen geweest en waren er bijvoorbeeld aanwijzingen dat ook derden de paardenbak gebruikten, dan was het oordeel van de Afdeling wellicht anders geweest.
Ook uit deze uitspraak van de Afdeling volgt dat de specifieke feiten en omstandigheden leidend zijn bij de beoordeling van een handhavingsverzoek en het voor het betrokken bestuursorgaan zaak is om deze voorafgaand aan een besluit nauwgezet in kaart te brengen en vast te leggen in een rapportage. Dit geldt zowel voor de feitelijke situatie op een perceel, als voor de ruimtelijke uitstraling vanwege een bepaald gebruik van een perceel.
Laura Hinrichs en ik schreven ook voor de laatste Kroniek ondernemingsstrafrecht in het Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving een bijdrage. In onze bijdrage signaleren wij recente ontwikkelingen in de rechtspraak met betrekking tot de Opiumwet, de Drank- en Horecawet/Alcoholwet (Wet Bibob) en de Wet op de kansspelen.
De volledige kroniek is hier te raadplegen: Kroniek ondernemingsstrafrecht
Een machtiging tot het betreden van een woning tegen de wil van een bewoner mag niet te snel of lichtvaardig worden afgegeven door een burgemeester. Zowel uit de Awbi als uit rechtspraak van de Raad van State volgt dat een machtiging alleen kan worden afgegeven als het vermoeden van een illegale situatie voldoende serieus is en het voor de bevestiging van dit vermoeden redelijkerwijs noodzakelijk is dat toegang wordt verkregen tot die woning omdat geen minder ingrijpende middelen aanwezig zijn.
Een door de burgemeester van de Gemeente Rotterdam verleende machtiging voldeed niet aan deze eisen. Deze machtiging was verleend voor het betreden van een pand zodat een toezichthouder en een extern bureau de bouwkundige situatie daarvan konden beoordelen. Deze bouwkundige situatie was namelijk al langer een punt van zorg, en had eerder tot een tijdelijke maatregel geleid. Anders dan de burgemeester is de Afdeling in een uitspraak van 3 september 2025 van oordeel dat geen sprake is van een urgente situatie.
De Afdeling overweegt dat – alhoewel de bewoner niet heel gelukkig had gecommuniceerd – niet is gebleken dat hij of zij medewerking zou weigeren of een toezichthouder niet toe zou laten. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat de gemeente de datums voor een bezoek aan de woning zonder overleg en ongeacht de vraag of de bewoner kon had vastgesteld en geen gelegenheid was geboden om in goed overleg tot een andere wel geschikte datum te komen. Verder was de situatie niet zo urgent dat het bezoek alleen op de vastgestelde datum kon plaatsvinden. Er was sprake van een tijdsverloop van maanden tussen een constateringsrapport en het aangekondigde bezoek. Ook was de tijdelijke maatregel eindig, maar onduidelijk is waarom die zo urgent was dat alleen op de door de gemeente vastgestelde datums een bezoek kon plaatsvinden.
Kort en goed voldoet de machtiging niet aan de daaraan te stellen eisen en wordt het besluit tot verlening daarvan vernietigd door de Afdeling. Ook wordt aan de bewoner een materiële schadevergoeding toegekend (vermoedelijk voor het slot van de deur). De verzochte immateriële schadevergoeding wordt afgewezen. Enige stress wordt door de Afdeling aannemelijk geacht, maar dat is onvoldoende om tot toekenning van de schadevergoeding over te gaan.
Tot slot volgt uit de uitspraak dat op basis van de bevindingen van de inspectie waarvoor de machtiging was verleend een lastgeving is opgelegd. Onduidelijk is of tegen deze lastgeving is opgekomen, maar als dat het geval is ligt de vraag voor of het tijdens de inspectie verzamelde bewijs van het bestaan van de overtreding nog toelaatbaar is. Een voorzichtige inschatting is dat dit niet het geval is, omdat bij gebreke aan een geldige machtiging het huisrecht is geschonden en het standpunt verdedigbaar is dat dit zozeer indruist tegen hetgeen van een redelijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit bewijs onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is.