Ook al wordt een sluitingsbesluit rechtmatig bevonden, dan nog is het tijdsverloop tussen het constateren van de overtreding en het moment waarop op grond van dit besluit tot sluiting wordt overgegaan relevant. Dit tijdsverloop kan namelijk leiden tot de situatie dat een burgemeester een nieuw besluit moet nemen mocht hij alsnog tot sluiting willen overgaan. Bijvoorbeeld in de situatie waarin ruimschoots meer dan een jaar is verstreken sinds de datum dat de sluiting volgens het bestuursdwangbesluit in zou zijn gegaan.
Aan wie het tijdsverloop valt te wijten is niet relevant, dus ook niet als het tijdsverloop is veroorzaak door een eerdere schorsing van het sluitingsbesluit door een voorzieningenrechter. Telkens zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is.
De Raad van State sluit met deze overwegingen in een uitspraak van 3 juni 2026 aan bij de reeds bestaande lijn die is neergelegd in de uitspraken van 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2756 en 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
De goede procesorde geldt voor alle procespartijen, dus ook voor bestuursorganen. Verder stelt de goede procesorde niet alleen grenzen aan het aandragen van nieuwe argumenten, maar ook aan het inbrengen van nieuwe (bewijs)stukken. Weliswaar is het in beginsel mogelijk om in hoger beroep nieuwe (bewijs)stukken over te leggen, maar kan de goede procesorde wel een belemmering zijn om die stukken mee te nemen als die verwijtbaar laat komen.
Een dergelijke situatie deed zich voor in een uitspraak van de Afdeling van 1 juli jl. In deze zaak stond onder meer de al dan niet aangetekende verzending van een besluit centraal waarmee kosten van bestuursdwang werden verhaald. Zowel in bezwaar als in beroep was het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag – ook desgevraagd en na een aanhouding – niet in staat gebleken om een verzendadministratie en een envelop te overleggen waarmee deze verzending zou kunnen worden aangetoond. Eerst in hoger beroep slaagt het college erin om bij het indienen van het hogerberoepschrift, een envelop over te leggen die volgens de datumstempel al op 1 december 2022 door het college retour was ontvangen en zich dus sindsdien in het dossier bevond. Hetzelfde geldt voor het overzicht uit de verzendadministratie in verband met de verzending per gewone post.
Naar het oordeel van de Afdeling had het college deze stukken eerder kunnen en dus moeten inbrengen. Immers, deze waren al enkele jaren voorhanden en het college had eerder ook gezocht naar deze stukken. Het nu accepteren van die stukken zou maken dat het aan de wederpartij is om met feiten en omstandigheden te komen op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden, aldus de Afdeling. De Afdeling oordeelt terecht dat dit bijna vier jaar na dato redelijkerwijs niet meer van haar worden verwacht en het college hierdoor de wederpartij ook door het college wordt benadeeld in haar bewijspositie.
Ook inhoudelijk gezien haalt het (nadere) besluit van het college de eindstreep niet. Onduidelijk is waarom meerwerk noodzakelijk was om aan de last te voldoen, en dus was ook onduidelijk of deze kosten al dan niet terecht werden verhaald. Dat het college kennelijk geen (aanvullend) verweer voerde buiten stellingen ter zitting, zal ook niet hebben meegeholpen. Kort en goed heeft het college het nodige huiswerk te doen.
De bestuursrechter is, buiten de gevallen genoemd in artikel 8:89 van de Awb, slechts bevoegd een verzoek om schadevergoeding te beoordelen voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000 bedraagt. De bestuursrechter is ook bevoegd om het verzoek te behandelen als de schade hoger is dan € 25.000, maar de belanghebbende zijn aanspraak op schadevergoeding bij de bestuursrechter beperkt tot € 25.000 en voor het bedrag boven de € 25.000 zich het recht voorbehoudt om een vordering strekkende tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter in te stellen.
In een uitspraak van woensdag 17 juni 2026 diende de Raad van State zich uit te laten over de vraag hoe te oordelen in een zaak waarin een rechtbank een verzoeker niet heeft gevraagd om zijn vordering van bijna € 60.000 te beperken tot € 25.000 zonder afstand te doen van zijn gepretendeerde aanspraak op het bedrag dat daarboven ligt. In plaats daarvan heeft de rechtbank de volledige vordering inhoudelijk beoordeeld en afgewezen.
Het antwoord van de Afdeling is kort maar simpel, de rechtbank heeft ten onrechte (ook) een oordeel gegeven over het bedrag van de vordering dat meer dan € 25.000 bedraagt in plaats van zich onbevoegd te verklaren. De uitspraak van de rechtbank kan dan ook geen standhouden.
Omdat de verzoeker ter zitting bij de Afdeling (desgevraagd?) heeft aangegeven zijn aanspraak op schadevergoeding te beperken tot € 25.000, komt de Afdeling alsnog aan de inhoud van de zaak toe. Dit helpt de verzoeker uiteindelijk echter niet, omdat de Afdeling (ditmaal wel in lijn met de rechtbank) oordeelt dat de verzoeker de gestelde schade niet op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk heeft gemaakt en niet aan de op hem rustende bewijslast in dit verband heeft voldaan.
Kan worden opgekomen tegen een besluit van de gemeenteraad waarmee een APV-bepaling wordt gewijzigd? Uitgangspunt is dat dit alleen mogelijk is als de gewijzigde APV-bepaling een concretiserend besluit van algemene strekking is en dit niet mogelijk is als sprake is van een algemeen verbindend voorschrift. Tegen een algemeen verbindend voorschrift kan immers op grond van de artikelen 7:1, eerste lid, en artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb geen bezwaar worden ingediend.
Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een algemeen verbindend voorschrift, is van belang of sprake is van een zelfstandige normstelling in regels die een algemeen karakter hebben en niet enkel het toepassingsbereik van die norm bepalen naar objecten, personen plaatsen en/of tijden. Is sprake van deze zelfstandige normstelling dan is sprake van een algemeen verbindend voorschrift en staat geen (rechtstreeks) bezwaar of beroep open. Dit vraagt om een goede lezing en duiding van de bepaling waartegen wordt opgekomen.
In een uitspraak van de Raad van State van 20 mei 2026 lag de vraag voor hoe een besluit van de gemeenteraad van de gemeente Almelo tot wijziging van een APV-bepaling moest worden gekwalificeerd. Meer specifiek had de gemeenteraad besloten om aan exploitatievergunningen voor coffeeshops een maximale duur te verbinden. Dit had tot direct gevolg dat de twee coffeeshops die de gemeente rijk is een nieuwe vergunning dienden aan te vragen. Om begrijpelijke redenen waren zij het hiermee niet eens en dienden zij zowel bezwaar in tegen het besluit van de gemeenteraad, als tegen een brief van de burgemeester waarin zij op de gevolgen van de wijziging werden gewezen.
Met de rechtbank is de Raad van State van oordeel dat de APV-bepaling een algemeen verbindend voorschrift is omdat (kort gezegd) sprake is van een zelfstandige normstelling. Dat feitelijk gezien alleen de twee coffeeshops werden geraakt door deze wijziging, maakt dit volgens de Afdeling niet anders. Dit doet namelijk niet af aan het algemene karakter van de APV-bepaling zelf. Omdat de brief van de burgemeester verder uitsluitend informatief van aard was, was deze niet gericht op zelfstandig rechtsgevolg. Het rechtsgevolg – dat de oude vergunningen van rechtswege zouden vervallen behoudens een nieuwe aanvraag – volgde namelijk uit de APV-bepaling.
Omdat geen sprake was van een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit (APV-bepaling) of van een besluit (informatiebrief), staat volgens de Afdeling geen bezwaar of beroep open. Uiteraard kan wel tegen een besluit op grond van de gewijzigde APV-bepaling worden opgekomen en kan dan over de band van de exceptieve toets deze bepaling ter discussie worden gesteld. Omdat van deze mogelijkheid gebruik is gemaakt, ziet de Afdeling tot slot geen aanleiding om een bijzondere situatie aan te nemen waarin vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming de informatiebrief met een besluit gelijk wordt gesteld.
Dient een verzoek om vergoeding van proceskosten in bezwaar te worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in de dwangsomregeling ex artikel 4:17 van de Awb? De Raad van State oordeelt in een uitspraak van 29 april 2026 dat dit niet het geval is, en zoekt daarbij aansluiting bij het arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2024. Uit dat arrest volgt dat een verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar niet kan worden aangemerkt, omdat dit verzoek zodanig is verweven met het besluit op bezwaar dat het daarvan niet kan worden losgemaakt. Om die reden is de dwangsomregeling van artikel 4:17 van de Awb daarop niet van toepassing. Een besluit over proceskosten complementeert (slechts) het algenomen besluit op bezwaar. Kort en goed is volgens de Afdeling een dwangsom bij een apart besluit over proceskosten niet aan de orde.
Ook het verzoek om vergoeding van proceskosten zelf is volgens de Afdeling terecht afgewezen. Daartoe wordt onder meer van belang geacht dat de gemachtigde de neef is van de betrokkenen. Verder heeft de gemachtigde, ondanks herhaaldelijke verzoeken van het college en van de rechtbank, niet aangetoond in hoeverre het verlenen van juridische dienstverlening zijn duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening is. En dit laatste is wel noodzakelijk omdat in het Bpd wordt gesproken over kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.
In een uitspraak van woensdag 15 april 2026 komt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tot het oordeel dat met het enkel toepassen van zijn Damoclesbeleid de burgemeester van Gemeente Heerlen onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een sluiting van een woning twaalf maanden noodzakelijk is.
Kort en goed volgt uit het Damoclesbeleid dat de enkele vondst van harddrugs die de toegestane hoeveelheid overschrijdt, voldoende is om handhavend op te treden en bij een eerste overtreding de woning te sluiten voor een periode van twaalf maanden. Het beleid maakt echter geen onderscheid in de aangetroffen hoeveelheid harddrugs, of er naast harddrugs ook wapens, geld of andere attributen worden aangetroffen of dat de woning in een wijk ligt waar veel problemen met drugs zich voordoen. Dit zijn omstandigheden die volgens vaste rechtspraak van de Afdeling echter wel gewogen dienen te worden bij de vraag of een sluiting noodzakelijk is.
Toegepast op dit concrete geval was geen ‘loop’ naar de woning waargenomen, zijn er geen wapens of een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen en beperken de aangetroffen attributen zich tot een weegschaal met residu en verschillende verpakkingsmaterialen. Onder deze omstandigheden vervulde de woning volgens de Afdeling wel een rol binnen de keten van drugshandel, maar kan, bijvoorbeeld, niet worden gesteld dat de woning een professionele productielocatie was waarbij de kans op herhaling vanwege het professionele karakter groot is en de burgemeester om die reden heeft mogen overgaan tot sluiting van de woning voor twaalf maanden.
Het besluit tot sluiting van de woning voor twaalf maanden is dan ook onevenredig in verhouding tot de met het sluitingsbesluit te dienen doelen, maar de Afdeling acht een sluiting voor de duur van zes maanden wel evenredig.
Hoe had de Afdeling geoordeeld als het Damoclesbeleid wel meer gedifferentieerd zou zijn geweest en zou zijn ingegaan op de omstandigheden die volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling dienen te worden gewogen (uiteraard met als uitkomst dat een sluiting voor de duur van één jaar dan zou zijn aangewezen)? Dat valt uiteraard lastig te voorspellen, maar de kans is groot dat het sluitingsbesluit dan nog steeds niet de eindstreep zou hebben gehaald. Simpelweg omdat een groot aantal ‘belastende’ indicatoren ontbreekt, en het mij lastig lijkt om een dergelijke sluitingsduur dan ‘droog’ te houden. Bij (zeer) bijzondere omstandigheden kan dit uiteraard anders worden, maar die ontbraken in dit geval.
Als een ouder zich meldt als mogelijk gedupeerde in de toeslagenaffaire wordt op grond van artikel 2.7 van de Wht eerst een zogenoemde ‘lichte toets’ uitgevoerd. Deze toets houdt in dat aan de hand van een eenvoudige handmatige beoordeling of data-analyse wordt beoordeeld of een ouder vooruitlopend op de integrale beoordeling als gedupeerde kan worden aangemerkt. Als de lichte toets tot een positieve uitkomst leidt, komt de ouder in aanmerking voor de zogenoemde ‘Catshuisregeling’ en wordt bij besluit een forfaitair bedrag van € 30.000,- toegekend. Het definitieve compensatiebedrag wordt vervolgens vastgesteld in de integrale beoordeling, en de uitkomst van deze beoordeling wordt ook in een besluit vastgelegd.
Het is uiteraard ook mogelijk dat de lichte toets leidt tot het oordeel dat een ouder op dat moment niet als gedupeerde wordt aangemerkt en niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag. Voor die ouders is dan nog geen man overboord, omdat ook zij doorstromen naar de integrale beoordeling. Op basis van het volledige dossier wordt dan nogmaals beoordeeld of zij toch als gedupeerde kunnen worden aangemerkt en een compensatie van (minimaal) € 30.000,- ontvangen.
In afwachting van de uitkomst van de integrale beoordeling wordt vaak wel bezwaar ingediend tegen de afwijzing van de lichte toets. Bij de Afdeling lag in een uitspraak van 25 februari 2026 de vraag voor of er nog procesbelang bestaat bij een dergelijke bezwaarprocedure als zowel de lichte toets als de integrale beoordeling tot een afwijzing hebben geleid. Kort en goed oordeelt de Afdeling dat dit niet het geval is. Om als gedupeerde te worden aangemerkt dient de ouder de discussie te voeren in het kader van de integrale beoordeling, aldus de Afdeling. Op zich is dit oordeel van de Afdeling navolgbaar. Pas met de integrale beoordeling wordt een definitief oordeel over de status van een ouder gegeven. Een afwijzing van de lichte toets houdt daarmee enkel en alleen in dat dat moment geen aanspraak bestaat op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- en houdt geen definitief oordeel in over de status van een ouder.
Dit neemt niet weg dat er wel een aantal kritische kanttekeningen valt te stellen bij dit oordeel van de Afdeling. Immers, niet altijd is even duidelijk of het oordeel uit de lichte toets toch niet doorwerkt naar de integrale beoordeling. Dan is voorstelbaar dat een mate van rechtsbescherming toch nodig is en blijft. En stel dat een ouder in (hoger) beroep alsnog als gedupeerde wordt aangemerkt, dan staat daarmee vast dat de lichte toets een onjuiste uitkomst had en een ouder veel eerder aanspraak kon maken op het forfaitaire bedrag. Voorstelbaar is dat een ouder hierdoor schade stelt te hebben geleden en dit mogelijk een proces-belang oplevert, bijvoorbeeld in de vorm van wettelijke rente. Of dit oordeel van de Afdeling het sluitstuk vormt voor dit soort bezwaren, is dus nog niet geheel zeker.
Een sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet kan zware gevolgen hebben voor bewoners, bijvoorbeeld vanwege medische problematiek. Deze zware gevolgen maken een sluiting echter niet per definitie onevenwichtig. Tegenover de ingrijpende gevolgen voor de bewoners, staan namelijk de belangen van de burgemeester bij sluiting van de woning. Deze beide belangen dienen te worden afgewogen, waarbij aan de ingrijpende gevolgen voor de bewoners wel een zwaar gewicht toekomt.
In een uitspraak van 11 februari 2026 komt de Afdeling naar deze vaste maatstaf tot het oordeel dat een sluiting van een woning door de burgemeester van de Gemeente Overbetuwe geen stand kan houden. Uit de uitspraak volgt dat niet ter discussie staat dat in deze woning een grote hoeveelheid (hard)drugs is aangetroffen en ook overige zaken die wijze op handel in (hard)drugs. Wel staan de medische gevolgen van de sluiting voor een van de bewoners ter discussie in hoger beroep. Anders dan de burgemeester stelt de Afdeling – met de rechtbank – vast dat de medische situatie voldoende is onderbouwd. Alhoewel de gevolgen vanwege een woningsluiting niet expliciet worden gemaakt en uitsluitend een bericht van de huisarts voorhanden is, volgt daaruit voldoende duidelijk dat deze fors zullen zijn.
De Afdeling zet deze forse gevolgen vervolgens af tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting nog wil bereiken, en constateert dat er (zeer) veel tijd is verstreken tussen het constateren van de overtreding en de besluitvorming. De enige doelstelling van de burgemeester – die de woning nog steeds wenst te sluiten – is verder kennelijk nog de (afschrikwekkende) signaalfunctie van een sluiting. Daarvoor is een bestuursrechtelijke herstelsanctie volgens vaste rechtspraak van de Afdeling echter niet bedoeld. Immers, dan verkleurt deze naar een (veel meer) punitieve sanctie met gevolgen van dien. Onder deze omstandigheden komt de Afdeling terecht tot het oordeel dat de gevolgen van de woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
In de welbekende uitspraak van 16 juli 2025 heeft de Afdeling uitgangspunten geformuleerd waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van de evenredigheid van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Deze uitgangspunten gelden – waar van toepassing – niet alleen voor woningen maar ook voor lokalen zoals een coffeeshop.
Tijdsverloop is een van deze uitgangspunten. Als sprake is van een (fors) tijdsverloop zal door een burgemeester moeten worden beoordeeld of een sluiting nog redelijkerwijs zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kunnen deze doelen namelijk uit zicht raken of niet meer of minder relevant worden. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is een sluiting ongeschikt. Denk hierbij aan de situatie dat de woning of het lokaal inmiddels een nieuwe huurder heeft of geen nieuwe incidenten hebben plaatsgevonden.
De beoordeling van tijdsverloop bij de besluitvorming dient dus niet alleen terug te komen in de sluitingsduur, maar dient daaraan vooraf te gaan. Is een sluiting überhaupt nog aangewezen gelet op het tijdsverloop en de doelen die bijvoorbeeld volgen uit het gemeentelijk beleid? Pas als die hobbel is genomen, komt de vraag in beeld welke sluitingsduur is aangewezen.
Een besluit van de burgemeester van de Gemeente Tiel tot sluiting van een coffeeshop dat pas één jaar na een constatering volgde, kon dan ook (terecht) de kritiek van de Afdeling niet doorstaan in een uitspraak van 21 januari 2026. Uit het dossier volgde namelijk verder geen (onderbouwing van de) noodzaak tot sluiting, zodat de Afdeling het middel van een sluiting niet (langer) geschikt achtte. Dat van een sluiting een signaalfunctie uitgaat is op zichzelf juist, maar is onvoldoende indien er geen kenbare omstandigheden zijn waarom een dergelijk signaal nodig is, aldus de Afdeling.
Het enkele feit dat een persoon die een woning aan een ander heeft (onder)verhuurd in detentie zit, maakt volgens de Afdeling in een uitspraak van 28 januari 2026 niet dat deze persoon niet kan beschikken over die woning of ontslagen is van de (basis)zorgplicht om een zekere mate van toezicht te houden op het gebruik van de woning.
Uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat een gedetineerde zijn woning had onderverhuurd aan een goede vriend. In de kelder van de woning werd tijdens deze onderverhuur een hennepkwekerij aangetroffen, die onder toepassing van spoedeisende bestuursdwang direct is ontmanteld. De kosten vanwege deze spoedeisende bestuursdwang zijn door het college van de Gemeente Rotterdam op de gedetineerde als overtreder verhaald.
Alhoewel de uitspraak van de Afdeling (erg) kort is, lijkt de Afdeling ten aanzien van de beschikkingsmacht met name betekenis toe te kennen aan i) de huurovereenkomst op naam van de gedetineerde, ii) het feit dat het energiecontract nog op zijn naam stond en iii) zijn inschrijving in de BRP op het adres van de woning ondanks dat de detentie al geruime tijd duurde.
Omdat sprake was van beschikkingsmacht, had de gedetineerde (ook) een zorgplicht om zich over het goede gebruik van de woning te informeren. Uit de uitspraak volgt niet of sprake was van eerdere signalen of aanwijzingen dat misbruik van de woning werd gemaakt, zodat de Afdeling van een (basis)zorgplicht lijkt uit te gaan. De gedetineerde had – bijvoorbeeld – aantoonbaar toezicht kunnen houden op het gebruik van de woning, door contact te houden met de vriend en de woning regelmatig te (laten) inspecteren.
Alhoewel uit de uitspraak niet (goed) volgt wat de feitelijke situatie was, lijkt de Afdeling in deze uitspraak de lat wel erg hoog te leggen. Dat de gedetineerde beschikkingsmacht had over de woning kan wellicht nog worden gevolgd, maar of het voor hem vanwege zijn detentie ook feitelijk en praktisch gezien nog mogelijk was om toezicht te houden op de woning is voor mij wel de vraag. Los van het feit dat de detentie het moeilijk maakt om contact te houden met personen, is het voor een derde ook niet zonder meer mogelijk om een woning te inspecteren. Hij of zij mag langs een woning lopen, maar deze niet zonder meer betreden.
Het aantreffen van een handelsvoorraad drugs in een woning dient deugdelijk te worden onderbouwd. Bij (grote) voorkeur door middel van het testen en wegen met een gekalibreerde weegschaal van aangetroffen middelen en het vastleggen van deze resultaten in een bestuurlijke rapportage of een (onderliggend) proces-verbaal. Het is daarna aan een huurder of eigenaar van een woning om deze bevindingen gemotiveerd te betwisten en – kort gezegd – zodanige twijfel te laten ontstaan over deze bevindingen dat deze niet of niet volledig aan een besluit tot sluiting van een woning ten grondslag kunnen worden gelegd.
Uit een uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, volgt van een (relatief) zeldzaam voorbeeld waarin een dergelijke betwisting daadwerkelijk slaagt. De burgemeester van de gemeente Gorinchem was tot sluiting van een woning overgegaan vanwege het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs in de woning en had zich daarbij gebaseerd op een bestuurlijke rapportage en het daarin genoemde gewicht van 0,56 gram cocaïne (een handelshoeveelheid). Echter, uit het proces-verbaal van de forensische opsporing volgde van een gewicht van 0,4 gram cocaïne (een gebruikershoeveelheid). Voor deze laatste weging was verder een gekalibreerde weegschaal gebruikt.
Onder deze omstandigheden komt de Afdeling terecht tot het oordeel dat niet van de bestuurlijke rapportage kon worden uitgegaan. Omdat de burgemeester van de gemeente Gorinchem verder geen dekkende verklaring kon geven voor het verschil in gewicht en veronderstelde drugs op bijvoorbeeld een pollepel in de woning niet waren onderzocht, had de burgemeester niet deugdelijk onderbouwd dat een handelshoeveelheid drugs in de woning was aangetroffen.
Ook overigens zag de Afdeling gaan aanleiding voor het oordeel dat in of vanuit de woning in drugs werd gehandeld. Weliswaar was in auto’s van inwonende kinderen een forse hoeveelheid drugs aangetroffen, maar deze auto’s stonden niet op het terrein van de woning geparkeerd en een link met de woning werd niet aannemelijk gemaakt. Verder was een dekkende verklaring gegeven voor een groot bedrag contact geld dat in de woning was aangetroffen, en maakt de enkele aanwezigheid van een grote hoeveelheid contact geld nog niet aannemelijk dat er vanuit een woning in drugs is gehandeld, aldus de Afdeling.
Zoals ieder jaar, worden rond deze tijd de cijfers bekendgemaakt waaruit volgt hoeveel aanslagen met explosieven hebben plaatsgevonden in het afgelopen jaar. Alhoewel het aantal aanslagen gelijk is gebleven, en dus gelukkig niet (verder) is gestegen, is nog steeds sprake van een fors aantal van 1525 aanslagen. De wens om dit een halt toe te roepen, bijvoorbeeld door het Offensief tegen Explosies is dan ook zeer begrijpelijk.
Het ‘Landelijk Handelingskader bij aanslagen met explosieven’ zoals dat begin november 2025 is gepubliceerd vormt dan een buitengewoon nuttig kader. Het gaat in op zowel de preventie van aanslagen als de stappen die kunnen worden gezet nadat een aanslag heeft plaatsgevonden. Alhoewel het kader geen normstellend document betreft, zijn vanuit juridisch (evenredigheids)oogpunt met name de onderdelen die zien op de keuze om al dan niet te sluiten, de nazorg en het onderscheid tussen dader- en slachtofferschap in dit verband interessant. Deze elementen verdienen immers de nodige aandacht tijdens zowel de besluitvorming maar ook in een eventuele procedure naar aanleiding van deze besluitvorming.