Op 23 juni 2023 maakte de gemeente Rotterdam bekend fors te gaan inzetten op asociaal gedrag in het verkeer. Goed nieuws voor voetgangers en fietsers naar mijn inschatting. Maar op welke wettelijke grondslag zal bestuursrechtelijk worden gehandhaafd, en is hetgeen de gemeente Rotterdam wil mogelijk?

Naar mijn inschatting zal de gemeente in ieder geval inzetten op artikel 4:6 van de APV van de gemeente Rotterdam. Dit artikel voorziet – onder meer – in een verbod om “handelingen, al dan niet met een voer- of vaartuig te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt”. Dit artikel biedt een grondslag om te handhaven op – bijvoorbeeld – te harde muziek vanuit een auto of motorlawaai. Let wel, het mag dus niet gaan om (gevaarlijk) rijgedrag. Dat valt onder andere wet- en regelgeving. De scheidslijn zal echter vrij dun zijn naar ik verwacht.

Daarnaast signaleer ik twee specifieke aandachtspunten ten aanzien van i) het constateren en rapporteren van een overtreding en ii) de vraag of een last onder dwangsom mogelijk is. Deze zijn de volgende:

Als met meetapparatuur een onaanvaardbaar hoog geluidsniveau wordt gemeten zal er wellicht weinig discussie bestaan over de vraag of sprake is van een overtreding. Een enkele waarneming door een toezichthouder zal echter wellicht onvoldoende zijn;

Uitgaande van een last ter voorkoming van herhaling van een eerder overtreding zal nodig zijn dat i) sprake is van een eerdere overtreding en ii) dat gevaar voor herhaling voor de hand licht. Naar dit laatste criterium zal naar ik verwacht de meeste aandacht uitgaan. Als sprake is van een incidentele overtreding zonder enige voorgeschiedenis of aanwijzing dat de overtreding zich opnieuw zal voordoen, kan een last onder dwangsom wel eens lastig worden.

Tot slot viel de wens van de gemeente op om afspraken te maken met autoverhuurbedrijven over het niet meer verhuren aan personen die herhaaldelijk de fout zijn ingegaan. Of en hoe dit kan worden vormgegeven, lijkt ook voor de gemeente nog onzeker te zijn. Een gedachte kan zijn om in een convenant afspraken te maken of – wellicht – eisen te verbinden in het kader van een exploitatievergunning voor een autoverhuurbedrijf.

Gelet op alle onzekerheden wordt dit ongetwijfeld nog vervolgd.

Relevantie
Over de inhoud van de uitspraken van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071) waarin de rechtspraak over het begrip ‘overtreder’ is genuanceerd, is al veel geschreven. Maar wat zijn nu de directe gevolgen voor de praktijk? Hieronder volgt een aantal punten die bij mij opkwamen:

Directe gevolgen uitspraken Afdeling
Omdat sprake is van belastende besluitvorming rust op het bestuursorgaan de bewijslast. Om ook in het geval van de nieuwe lijn van de Afdeling hieraan te voldoen zal reeds tijdens de voorfase aandacht moeten worden besteed aan de voorwaarden uit het IJzerdraad-arrest (bij natuurlijke personen) of het Drijfmest-arrest (bij rechtspersonen). Bij natuurlijke personen kan functioneel daderschap aan de orde zijn indien sprake is van beschikken en aanvaarden. Functioneel daderschap kan bij rechtspersonen worden aangenomen als i) het gaat om een handelen of nalaten door iemand in dienstbetrekking of uit anderen hoofde werkzaam bij de rechtspersoon; ii) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening, iii) de gedraging dienstig is geweest of iv) er is sprake van beschikken en aanvaarden. Om vast te kunnen stellen of sprake is van functioneel daderschap zal het bestuursorgaan de nodige feiten moeten verzamelen en deze feiten goed gemotiveerd moeten waarderen. Hier ligt dus uitdrukkelijk ook een taak voor de toezichthouder om dit goed te rapporteren.

Voor wat betreft lopende procedures kan de keuze worden gemaakt om dit onderzoek alsnog te doen en aan de hand daarvan de houdbaarheid van de voorliggende besluiten te beoordelen of het oordeel van een rechter af te wachten.

Specifiek ten aanzien van de bestuurlijke boete verwachten wij de nodige discussie over de invulling van het begrip overtreder in de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet minimumloon en vakantietoeslag en de ‘overige’ Arbowetgeving waarin (vaak) de vraag centraal staat wie werkgever is. Immers, met de nieuwe lijn van de Afdeling is het wellicht niet meer genoeg om vast te stellen wie werkgever is, maar zullen ook de voorwaarden uit het IJzerdraad-arrest (bij natuurlijke personen) of Drijfmest-arrest (bij rechtspersonen) moeten worden getoetst. In zaken waarin sprake is van ‘ketenaansprakelijkheid’ kan dit tot de nodige verschuivingen leiden.

Specifiek ten aanzien van lasten onder dwangsom en bestuursdwang hebben wij ons afgevraagd of een verschuiving valt te verwachten op het gebied van pandsluitingen ex artikel 13b Opiumwet. Nu die sluitingen als vorm van bestuursdwang primair op het pand zelf zijn gericht en dus geen overtreder nodig is dit wellicht niet het geval. Dit ligt anders in het geval een sluiting wordt afgedwongen met een last onder dwangsom of sprake is van kostenverhaal na (spoed)bestuursdwang. Dan komt (vaak) wel de vraag op of sprake is van functioneel daderschap.

Kort en goed verwachten wij de nodige verschuivingen. Hebt u hier verder vragen over, dan kunt u ons uiteraard bellen of e-mailen.

De enkele aanwezigheid van explosieven in een kelderbox van een woning is op zichzelf niet genoeg om die woning te sluiten op grond van artikel 174a van de Gemeentewet, zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2023. Deze aanwezigheid kan – zonder bijkomende omstandigheden – niet worden aangemerkt als langdurige overlast en daarmee ook niet als een verstoring van de openbare orde. Daarbij komt ook betekenis toe aan de vraag of de explosieven voor de sluiting zijn verwijderd, of niet.

Ook kan niet worden uitgeweken naar artikel 175 van de Gemeentewet. De explosieven waren ten tijde van de sluiting niet meer in de kelderbox aanwezig zodat geen sprake meer was van een noodsituatie. Ook bestond geen direct gevaar voor herhaling omdat de eigenaar van explosieven nog in detentie zat en niet was gebleken dat andere personen toegang tot de kelderbox hadden. Hiermee was geen sprake meer van een acuut (levens)gevaar voor direct omwonenden.

De Afdeling signaleert terecht dat dit een onbevredigend resultaat is gelet op de wens om dit soort situaties in te dammen. De wetswijziging die dit mogelijk moet maken is echter nog onder de Eerste Kamer. Het valt te hopen dat deze wetswijziging snel in werking treedt. Daarnaast kan de motie van de Tweede Kamer om zwaar vuurwerk onder de Wet wapens en munitie te brengen ook de nodige extra mogelijkheden voor een burgemeester met zich brengen.

Is voor de vraag of sprake is van een werkgever in de zin van de Wml – en dus van een overtreding – van doorslaggevend belang of andere (overheids)instanties zoals het UWV, de SVB of de Belastingdienst eerder hebben geoordeeld dat geen sprake is van een dienstbetrekking? Het antwoord van de Afdeling in een uitspraak van woensdag 14 juni 2023 is duidelijk; dat is niet het geval.

Volgens de Afdeling dient gelet op artikel 2, eerste lid, van de Wml voor de vaststelling dat een dienstbetrekking bestaat aan alle elementen van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht te zijn voldaan. Of dit het geval is hangt af van de concrete feiten en omstandigheden. Een eerder oordeel van het UWV, de SVB of de Belastingdienst doet daar volgens de Afdeling niet aan af. Daartoe wordt als volgt overwogen door de Afdeling:

“Dat de Belastingdienst in 2007 en het UWV en de SVB bij de uitvoering van hun taken tot een andere slotsom zijn gekomen, kan aan dit oordeel op zichzelf niet afdoen. De staatssecretaris heeft er in dit verband terecht op gewezen dat onduidelijk is gebleven op basis van welke informatie en welk onderzoek deze instanties tot hun standpuntbepaling zijn gekomen en dat de Inspectie in de onderhavige zaak uitgebreid onderzoek heeft verricht.”

In deze concrete zaak neemt de Afdeling dan ook aan dat sprake is van een dienstbetrekking en de staatssecretaris bevoegd was om een boete op te leggen vanwege een overtreding van de Wml. De Afdeling gaat vervolgens ook niet mee in het beroep dat wordt gedaan op het vertrouwensbeginsel vanwege de uitlatingen van het UWV, de SVB en de Belastingdienst. Immers, deze instanties spreken niet namens de staatssecretaris. Daarbij had van de werkgever in kwestie meer mogen worden verwacht, bijvoorbeeld door actiever te informeren of opvattingen van de staatssecretaris overeenkwamen met die van de overige instanties.

Heeft de werkgever in kwestie dan helemaal niets aan de opvattingen van het UWV, de SVB of de Belastingdienst? Uiteindelijk wel. De Afdeling gaat vanwege deze opvattingen tot matiging van het boetebedrag over omdat: “het niet eenduidige overheidsoptreden over de uitleg van het wettelijke begrip “werkgever” richting [appellante sub 2] een omstandigheid waarmee bij de vaststelling van de hoogte van de boete rekening moet worden gehouden”.

De uitspraak valt goed te volgen. Wel laat de uitspraak ruimte in het geval kan worden aangetoond dat – bijvoorbeeld – aan zowel de staatssecretaris als het UWV dezelfde informatie is aangeleverd en zij toch tot een verschillend oordeel komen over de vraag of sprake is van een dienstbetrekking. Dan kan wellicht wel met succes een beroep worden gedaan op deze verschillende oordelen. Verder volgt uit de uitspraak dat op werkgevers een (actieve) plicht rust om zich te blijven vergewissen van hun positie om zo ongewenste situaties te voorkomen.

Op het moment dat een woning door een burgemeester bij opeenvolgende noodbevelen langdurig wordt gesloten vanwege een (voortdurende) vrees voor verstoring van de openbare orde, gelden steeds strengere motiverings- en zorgvuldigheidseisen. Volgens de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland is het dan niet meer voldoende dat een verstoring van de openbare orde niet valt uit te sluiten, of dat sprake is van een min of meer latente situatie. Wel dient er (nog) steeds sprake te zijn van een actuele en concrete situatie, waarbij van de burgemeester mag worden verwacht dat deze situatie keer op keer (bij ieder nieuw noodbevel) wordt onderbouwd en inzichtelijk wordt gemaakt.

Omdat in deze zaak het noodbevel en de onderliggende rapportages de actualiteit en concreetheid van de vrees voor verstoring van de openbare orde onvoldoende onderbouwen, stelt de voorzieningenrechter dat het noodbevel niet (meer) voldoet. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook de gevolgen van een langdurige sluiting voor de bewoners van de woning. Hun gezinsleven is langdurig ontwricht door de langdurige inbreuk op hun (grondwettelijke) woonrecht, waarbij de burgemeester niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht om aan hen opvang te bieden of de gevolgen van de sluiting te ondervangen. Uit de uitspraak volgt namelijk dat de inspanningen van de burgemeester in dit verband te wensen overlaten. Kort en goed oordeelt de voorzieningenrechter dat het dan niet zo kan zijn dat de bewoners alle gevolgen moeten dragen van de maatregelen die de burgemeester neemt ter bescherming van de openbare orde. Gelet op de ernst en duur van de inbreuk had meer van de burgemeester verwacht mogen worden.

De voorzieningenrechter gaat dan ook over tot schorsing van het noodbevel, maar verbindt hier wel een termijn aan. De woning gaat niet direct open, maar de burgemeester krijgt een termijn van 10 dagen om de nodige maatregelen te treffen.

Onze kantoorgenoot Remko Wijling schreef samen met Mark Husen een reactie op het (initiatief)wetsvoorstel “Participatiewet in Balans”. In deze reactie concluderen Wijling en Husen dat het wetsvoorstel een stap in de goede richting is, maar dat er nog wel meer nodig is om de noodzakelijke balans terug te brengen in de Participatiewet.

Relevantie
De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland oordeelt in een uitspraak van 30 mei 2023 met enkele (zeer) principiële overwegingen dat de Interim Omgevingsverordening (Verordening) van de provincie Utrecht geen basis biedt voor handhavend optreden tegen omgekeerde vlaggen.

Samenvatting
De voorzieningenrechter neemt als uitgangspunt dat het plaatsen van een omgekeerde vlag moet worden aangemerkt als het uiten van een mening en daarmee van een grondrecht dat wordt beschermd door artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 EVRM.

Vanuit dit uitgangspunt beoordeelt de voorzieningenrechter of de Verordening en meer specifiek het daarin opgenomen vlagverbod een basis vindt in een wet in formele zin. Kort en goed oordeelt de voorzieningenrechter dat dit niet het geval is. De Wet natuurbescherming geeft als basis van de Verordening namelijk geen bevoegdheid aan de provincie tot het instellen van een verbodsstelsel met het oog op bescherming van waardevolle landschappen dat zich rechtstreeks richt tot de burger. De verbodsbepaling in de Verordening kan volgens de voorzieningenrechter dan alleen zijn gebaseerd op de autonome verordende bevoegdheid ex artikel 145 van de Provinciewet.

Omdat sprake is van regeling van de provincie – en daarmee van een lagere overheid – mag de voorzieningenrechter het verbod vervolgens aan artikel 7 van de Grondwet toetsen en is geen sprake van een toetsingsverbod. Deze toetsing voert de voorzieningenrechter ook uit met als eindoordeel dat het vlagverbod – voor zover dit ziet op het uiten van een mening – in strijd komt met artikel 7 van de Grondwet. De reikwijdte van het vlagverbod is namelijk zo ruim geformuleerd dat het voeren een vlag als zelfstandig uitingsmiddel (bijna) volledig onmogelijk is. De uitzonderingen op het verbod maken dit niet anders, omdat die nog steeds (bijna) geen ruimte laten.

Alhoewel het vlagverbod dus al sneuvelt wegens strijd met artikel 7 van de Grondwet, gaat de voorzieningenrechter ook in op de verhouding tot artikel 10 EVRM. Ook bij de toets aan dit artikel toont de voorzieningenrechter zich zeer kritisch en vraagt zich onder meer (terecht) af wat de noodzaak is voor het verbod en het handhavend optreden gelet op daarmee gediende belangen. De door de provincie gestelde vrees voor wanordelijkheden deelt de voorzieningenrechter in ieder geval niet. De vlaggen hangen al geruime tijd zonder enig incident.

Tot slot is – alhoewel sprake is van een voorlopig oordeel – de voorzieningenrechter opvallend resoluut in zijn oordeel. Mocht in de bezwaarprocedure toch anders worden geoordeeld door de provincie, dan duurt de schorsing tot het aflopen van de beroepstermijn of totdat uitspraak op een eventueel beroep is gedaan.

Relevantie
De vergunningplicht ex artikel 21, eerste lid, onder d, van de Huisvestingswet geldt alleen voor woonruimten. Maar wanneer is (nog) sprake van woonruimte, en hoe moet dit worden vastgesteld? Deze vraag stond centraal in de uitspraak van de Afdeling van woensdag 3 mei jl.

Samenvatting
Wat was er aan de hand? Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (‘college’) had in 2007 in een bouwvergunning een deel van een pand bestemd als woonruimte. Het pand werd daarna echter feitelijk gezien als kantoor gebruikt, ook op het moment dat de pandeigenaar in 2020 bij het college een vergunningaanvraag indiende voor het verbouwen van een het pand tot vier zelfstandige woonruimten (een woningvormingsvergunning).

In hoger beroep spitst de discussie zich toe op de vraag of de pandeigenaar überhaupt een vergunning had moeten aanvragen, of dat de vergunningplicht ex artikel 21 van de Huisvestingswet niet van toepassing was omdat op het moment van de aanvraag geen sprake meer was van woonruimte maar van een kantoor. Kort en goed diende dus te worden vastgesteld of in 2020 nog sprake was van woonruimte.

Bij de beoordeling van deze vraag, stelt de Afdeling eerst vast wat onder woonruimte moet worden verstaan en verwijst daarbij naar artikel 1, onder l, sub 1, van de Huisvestingswet. In dit artikel is woonruimte gedefinieerd als een besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden.

Vervolgens geeft de Afdeling aan hoe moet worden vastgesteld of een ruimte bestemd is om te bewonen. Kort en goed moet dit worden beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven, waarbij het feitelijk gebruik niet doorslaggevend is (ECLI:NL:RVS:2021:666). Als een ruimte in het verleden was bestemd voor bewoning, kan deze daaraan inmiddels onttrokken zijn, aldus de Afdeling. Dit is onder meer het geval als deze ruimte gebruikt wordt als kantoor. Dat volgt uit het eerste lid, onder a, van artikel 21 van de Huisvestingswet. Of een ruimte tot slot geschikt is om in te wonen moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke situatie (ECLI:NL:RVS:2022:3011).

Dit beoordelingskader – wettelijke definitie, bestemming en geschiktheid – leidt in dit geval tot de vaststelling dat het gehele pand al (lang) voor de aanvraag uit 2020 feitelijk gezien als kantoor werd gebruikt. De voorzieningen waren daarop ook aangepast en dit maakte dat het pand niet meer bestemd en niet meer geschikt was om in te wonen. Voor de omzetting in 2020 naar vier zelfstandige woonruimten was dan ook geen vergunning nodig.

Het voorgaande laat het belang zien van het vastleggen van de feitelijke situatie. Voor pandeigenaren is van belang die feitelijke situatie goed te documenteren. Voor gemeenten is dit evenzeer van belang, door bijvoorbeeld met enige regelmaat controles uit te voeren op de feitelijke situatie en – zo nodig – te handhaven.

Een bestuurlijke boete kan slechts wordt opgelegd indien de overtreding bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift is omschreven. Als dat niet het geval is kan staat het bepaalde in artikel 5:4 van de Awb (het bestuursrechtelijke legaliteitsbeginsel) aan boeteoplegging in de weg. Dit was het geval in een zaak waarin de Afdeling op 10 mei 2023 uitspraak deed.

Kort en goed wierp het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam een pandeigenaar een voorwaarde tegen (een invulling van de begrippen omzetting en inwoning) die niet in de tevoren gegeven omschrijving van de beboetbare gedraging was opgenomen en volgens de Afdeling “evenmin overigens zonder meer voortvloeit uit het begrip inwoning”. Het besluit van het college sneuvelt dan ook in hoger beroep wegens strijd met het bepaalde in artikel 5:4 van de Awb.

Vanaf 25 mei 2023 geldt in Amsterdam een verbod om – op specifiek aangewezen plaatsen – softdrugs te gebruiken (het zogenoemde blowverbod). De basis van dit verbod wordt gevormd door het (nieuwe) artikel 2.7B van de Algemeen plaatselijke verordening van de gemeente Amsterdam waarin de volgende tekst is opgenomen:

“Het is verboden op of aan de weg of op andere voor publiek toegankelijke plaatsen gelegen in het gebied dat is aangewezen in bijlage 1 bij deze verordening middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken.”

Naast de vraag of dit verbod überhaupt handhaafbaar is gelet op bijvoorbeeld capaciteit, speelt ook de vraag naar de juridische houdbaarheid van dit verbod. Is geen sprake van een overlap met de strafbaarstellingen uit de Opiumwet?

Gesteld kan worden dat dit niet het geval is omdat het verbod zich alleen richt op ‘gebruik’ en de Opiumwet dit niet verbiedt. Uit de Opiumwet volgt alleen een verbod op aanwezigheid, verkoop en vervaardiging en als de APV zich alleen op gebruik richt, kan dit naar verwachting de toets der kritiek doorstaan. Zie daartoe bijvoorbeeld ook ECLI:NL:HR:2015:3031 en waarin wordt geoordeeld over een soortgelijke bepaling in de APV van de gemeente Rotterdam die al (veel) langer een dergelijke bepaling bevat.

Op twee andere punten valt wellicht nog wel discussie te verwachten, namelijk de vraag of ruimte bestaat voor een verbodsbepaling in een APV als de wetgever geen aanleiding heeft gezien voor een verbodsbepaling in de Opiumwet en de daarmee samenhangende vraag of voldoende is onderbouwd dat vanuit – kort gezegd – de openbare orde en leefbaarheid een verbod is aangewezen. De gestelde overlast moet namelijk wel i) worden onderbouwd en ii) van dien aard zijn dat een verbod gerechtvaardigd is. Wordt dus ongetwijfeld nog vervolgd.

Tot slot is ook de verkoop van alcohol verder gereguleerd en beperkt in de APV. Onder meer de tijdstippen waarop alcohol kan worden verkocht en prijsacties (2 voor de prijs van 1) worden aan banden gelegd onder gebruikmaking van het bepaalde in de artikelen 25f en 25d van de Alcoholwet. Beide artikelen bieden ruimte voor een gemeente om beperkingen op te nemen in de APV specifiek ten aanzien van de verkoop van alcohol.

De forse toename van incidenten zoals beschietingen van woningen en de herhaalde sluiting van (vaak) dezelfde woningen en panden vanwege deze incidenten (of vanwege artikel 13b van de Opiumwet) is een punt van zorg. Deze toename roept de vraag op hoe om te gaan met deze incidenten in het kader van de handhaving van de openbare orde als (bijvoorbeeld) sluiting van een pand niet (meer) het gewenste effect heeft.

Wat dan opvalt is dat de mogelijkheid voor (in dit geval) het college om een pand in beheer te geven aan een andere gebruiker ex artikel 13b, tweede lid, van de Woningwet en aan dit beheer voorwaarden te verbinden vaak niet wordt genoemd of terugkomt in gemeentelijk beleid of in een escalatieladder. Ditzelfde geldt voor de mogelijkheid om tot onteigening van een pand over te gaan ex artikel 77, zevende lid, van de Onteigeningswet als het beheer niet het gewenste resultaat heeft.

Het nadrukkelijker in beeld brengen van deze bevoegdheden tot beheer en onteigening zou – met name in de ernstigere gevallen – uitkomst kunnen bieden als sluitstuk van de handhaving van de openbare orde. Uiteraard vraagt dit de nodige inzet en een zorgvuldige weging, maar deze bevoegdheden verdienen meer aandacht gelet op de mogelijkheden die zij bieden.

Wilt u als gemeente meer weten over het voorgaande, dan kunt u uiteraard contact opnemen met ons kantoor.

Relevantie
Uit artikel 2 EVRM volgt – kort gezegd – van de positieve verplichting van de Staat of lagere overheden om geschikte stappen te zetten om het recht op leven van individuen te beschermen (een zorgplicht). Het sluiten van een woning door een burgemeester bij noodbevel ex artikel 175 Gemeentewet in het geval van een ernstig incident – zoals een explosie – is volgens de Afdeling een geschikte stap als bedoeld in artikel 2 EVRM, ook als hierdoor het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 EVRM van de bewoners van de woning wordt beperkt.

Zorgplicht
De zorgplicht van (i.c.) een burgemeester strekt zich bij een sluiting van een woning bij wijze van noodbevel echter niet alleen uit tot de bescherming van het algemeen belang en het recht op leven van de bewoners, omwonenden en andere passanten in verband met een ernstig incident. Volgens de uitspraak van 3 april 2023 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam volgt uit de zorgplicht die dan op een burgemeester rust en het evenredigheidsbeginsel ook dat aan de bewoners van de woning de nodige zorg en begeleiding na de sluiting wordt geboden.

Bij de invulling van deze zorgplicht – en hetgeen concreet van een burgemeester wordt verwacht – lijkt de voorzieningenrechter zwaarwegend belang te hechten aan de persoonlijke situatie van de bewoners en de vraag of hen een verwijt treft. Omdat in dit geval niet gebleken was van verwijtbaarheid en – op zijn minst – sprake was van een kwetsbare situatie had de burgemeester zich actief op dienen te stellen en mocht hij er niet van uit gaan dat de bewoners zich wel weten te redden. Alhoewel de sluiting zelf standhoudt – want sprake van een ernstig incident – wordt toch een voorziening uitgesproken die inhoudt dat de burgemeester aan de bewoners passende opvang moet bieden en spullen uit de woningen kunnen worden gehaald.

Dat op een burgemeester een bepaalde zorgplicht rust jegens de bewoners van een gesloten woning is niet nieuw (zie bijvoorbeeld de uitspraak in ECLI:NL:RBMNE:2023:1316). De burgemeester van Rotterdam had dus op zichzelf kunnen weten dat hij meer had moeten doen dan het enkel doorverwijzen naar Vraagwijzer. Wel roept deze uitspraak van de voorzieningenrechter de vraag op hoe ver de zorgplicht van een burgemeester nu exact reikt en in hoeverre bijvoorbeeld verwijtbaarheid van de bewoners een rol mag spelen. De sluiting is immers op het pand gericht, en niet op de bewoners. Moet verder gelet op de toch redelijk verstrekkende voorziening in een besluit tot sluiting uitdrukkelijk opvang worden aangeboden of worden geweigerd om te voldoen aan de zorgplicht en maakt dit onderdeel uit van het sluitingsbesluit? De tijd zal het leren, maar dat het zaak is om de situatie van de bewoners goed in kaart te brengen en een burgemeester daar waar nodig actief dient te handelen stat wat mij betreft wel vast.