Relevantie
Is voor een sluiting van een pand op grond van artikel 13b Opiumwet vanwege – kort gezegd – strafbare voorbereidingshandelingen vereist dat een aangeschreven persoon zelf wetenschap of een ernstig vermoeden had dat de in het pand aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs? Anders dan de rechtbank Rotterdam komt de Afdeling in een uitspraak van 29 maart jl. tot het oordeel dat dit niet noodzakelijk is voor het ontstaan van de sluitingsbevoegdheid.

Samenvatting
Het is voldoende als een burgemeester op basis van de feitelijke situatie voldoende aannemelijk maakt dat er in het pand voorwerpen of stoffen aanwezig waren waarvan kan worden geweten of ernstig worden vermoed dat deze bestemd waren voor drugshandel. De vraag of een persoon zelf wetenschap had of verwijtbaar heeft gehandeld komt eerst bij de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting in beeld.

Kort en goed is het dus voldoende als uit een bestuurlijke rapportage volgt i) welke feiten en omstandigheden (bijvoorbeeld stoffen en voorwerpen, inrichting pand en informatie op de website van een winkel) zijn geconstateerd en ii) waarom die feiten en omstandigheden leiden tot de wetenschap of het vermoeden dat de aangetroffen stoffen en voorwerpen bestemd waren voor drugshandel.

In deze specifieke zaak zijn – naast grote hoeveelheden versnijdingsmiddel en gripszakjes – ook een groot aantal vitrines met geldtelmachines, versnijdingsmiddel en verpakkingen levensmiddelen met verborgen ruimtes aangetroffen. Met deze constateringen heeft de burgemeester voldaan aan de op hem rustende bewijslast en kon tot een sluiting van het pand ex artikel 13b Opiumwet worden overgegaan. De Afdeling komt vervolgens tot het oordeel dat de sluiting ook overigens noodzakelijk en evenredig was waarbij weer een groot belang wordt gehecht aan de hoeveelheid aangetroffen goederen.

Relevantie
Na de rechtbank Rotterdam is ook de Centrale Raad van oordeel dat een bijstandsgerechtigde aan de hand van pinopnames in een casino (of andere instelling) het recht op bijstand aannemelijk kan maken. Een bijstandsgerechtigde wordt dus niet langer met een herziening en terugvordering van het volledige recht op bijstand geconfronteerd. Hieronder zet ik stapsgewijs uiteen wat deze uitspraak inhoudt voor de praktijk.

Betekenis uitspraak
i) Uitgangspunt is en blijft dat het niet melden van gokactiviteiten een schending van de inlichtingenplicht ex artikel 17 Pw inhoudt en dus tot herziening en terugvordering van het recht op bijstand moet worden overgegaan.

ii) De Centrale Raad stelt vervolgens dat als het recht op bijstand vanwege de schending van de inlichtingenplicht niet precies kan worden vastgesteld, dit schattenderwijs moet gebeuren als dit mogelijk is. Specifiek in het geval van gokactiviteiten, stelt de Centrale Raad dat het een betrokkene echter vrijwel aan mogelijkheden ontbreekt om de gegevens bij te houden die nodig zijn voor een betrouwbare schatting. Dergelijke inkomsten zijn dus niet schattenderwijs vast te stellen, aldus de Centrale Raad.

iii) De Centrale Raad stelt echter dat het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld aan de hand van pinopnames in een gokinstelling. Met deze opnames kan de omvang van de verrichte gokactiviteiten en de daarmee verkregen bedragen aannemelijk worden gemaakt. Meer concreet zullen de met gokken ontvangen bedragen gemiddeld genomen niet hoger zijn dan 100% van de ingelegde bedragen. Dit gegeven rechtvaardigt de vooronderstelling dat in het individuele geval de inkomsten uit gokactiviteiten in een gokinstelling – ongeacht welk gokspel is gespeeld– gelijk zijn aan de ingelegde bedragen. Het is vervolgens aan een van beide partijen om tegenbewijs te leveren waaruit volgt dat de bedragen juist wel of niet hoger zijn dan 100% van de ingelegde bedragen.

Gevolgen uitspraak
Wat betekent dit nu voor de praktijk? In het geval van gokactiviteiten, kan het recht op bijstand schattenderwijs worden vastgesteld aan de hand van de pinopnames in een gokinstelling. De bankafschriften zijn dan van groot belang, en dienen te worden aangeleverd. De inkomsten zijn gelijk aan de inleg (pinopname). Is er daarnaast bewijs voorhanden waaruit volgt van hogere inkomsten dan dient dit te leiden tot een bijstelling. Hetzelfde geldt voor door de bijstandsgerechtigde zelf aan te dragen feiten en omstandigheden waaruit van lagere inkomsten volgt. Tot slot zal dit niet alleen voor nieuwe zaken gelden, maar ook voor lopende procedures waarin dit speelt en dient daarbij rekening te worden gehouden met proceskostenveroordelingen.

Relevantie
Handelt de Omgevingsdienst onrechtmatig door in het kader van het te houden toezicht op Tata Steel gebruik te maken van permanent cameratoezicht? Met deze vraag zag de civiele rechter zich in kort geding van 26 april 2023 geconfronteerd. Het antwoord van de rechtbank was dat van onrechtmatig handelen geen sprake is. Deze bijdrage laat geen ruimte om alle aspecten van dit vonnis te bespreken, maar is beperkt tot de vraag of artikel 5:18 van de Awb voldoende grondslag biedt voor de gekozen wijze van cameratoezicht. Deze vraag is ook van belang voor de vraag of voldaan is aan artikel 6 van de AVG.

Wat was er aan de hand?
Al langer bestaan zorgen bij omwonenden over de uitstoot van schadelijke stoffen door Tata Steel. De Omgevingsdienst heeft in het kader van het te houden toezicht een vaste camera geïnstalleerd buiten het terrein van Tata Steel. Deze camera filmt de locatie waar mogelijke overtredingen voorkomen. Daarbij heeft de Omgevingsdienst een kader opgesteld over hoe te handelen bij het live of achteraf constateren van zwarte rook en daarmee mogelijk een overtreding. De camera is niet op personen gericht en uit het vonnis leid ik af dat het onaannemelijk is dat personen worden herkend gelet op de instellingen van de camera. Wel kan beeldmateriaal sporen van hun aanwezigheid bevatten. Hoe komt de rechtbank nu tot het oordeel dat artikel 5:18 van de Awb voldoende grondslag voor deze vorm van toezicht biedt?

De rechtbank oordeelt dat artikel 5:18 van de Awb een open stelsel bevat en techniek neutraal is geformuleerd. Immers, in 1996 viel de huidige stand van de techniek niet te voorzien. De evenredigheid ex artikel 5:13 van de Awb dient als begrenzing. De rechtbank kiest gelet hierop voor een pragmatische insteek en gaat aan de hand van doel en strekking van de regeling na of het gebruik van cameratoezicht ter ondersteuning van bevoegdheidsuitoefening past in het stelsel van de Awb en aansluit bij de daarin wel uitdrukkelijk geregelde uitoefening. De rechtbank stelt daarbij de effectiviteit van toezicht voorop.

Aan de hand van deze benadering oordeelt de rechtbank dat de gekozen wijze van cameratoezicht effectief en evenredig is. Daarbij betrekt de rechtbank dat niet in geschil is dat het alternatief – permanent fysiek toezicht en dit vastleggen met foto of film – toelaatbaar is. Tot slot passeert de rechtbank het beroep op rechtspraak van de CRvB en Afdeling waaruit volgt dat voor permanent cameratoezicht (of een peilbaken) een specifieke wettelijke grondslag nodig is. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van op een persoon gericht toezicht maar van toezicht dat niet op een persoon of persoonsgegevens is gericht en dit ook probeert te voorkomen.

Slotopmerking
Kort en goed past de rechtbank een toets naar noodzaak en evenredigheid toe. Dit lijkt mij in kort geding een juiste benadering. Als de noodzaak niet ter discussie staat, moet een toezichthouder in staat worden gesteld effectief toezicht te houden mits de nodige waarborgen in acht worden genomen.

Onze kantoorgenoot Remko Wijling schreef samen met Mark Husen een reactie op het (initiatief)wetsvoorstel “Wet handhaving sociale zekerheid”. Dit wetsvoorstel voorziet in een uniform handhavingskader voor alle sociaal zekerheidswetten. De wetgever beoogt met het wetsvoorstel meer mogelijkheden voor maatwerk te creëren, onder meer door meer ruimte te bieden aan uitvoeringsinstanties om van een boete af te zien of een voorwaardelijke boete op te leggen.

Remko Wijling en Mark Husen zijn voor het verruimen van de mogelijkheden om maatwerk te bieden, maar vragen zich wel af de door de wetgever in het wetsvoorstel gekozen systematiek een juiste insteek is. Open normen bieden immers niet alleen ruimte voor maatwerk, maar leiden per definitie ook tot uitvoeringsproblematiek en tot rechtsonzekerheid. Verder stellen Remko Wijling en Mark Husen vraagtekens bij de keuze om een semi-gefixeerd boetestelsel te introduceren, nu dit stelsel op onderdelen afwijkt van de lijn die door onder meer de Centrale Raad is uitgezet.

Relevantie
Een burgemeester kan een woning bij noodbevel sluiten als er een ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden. Deze vrees moet wel actueel zijn. Is daarvan nog steeds sprake als geruime tijd geen incidenten hebben plaatsgevonden en de woning al eerder bij noodbevel is gesloten? De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland is in de uitspraak van 24 maart 2023 van oordeel dat dit het geval is.

Samenvatting
Wat was er aan de hand? Vanwege een ernstige geweldsdreiging vanuit het criminele circuit heeft de burgemeester van Vijfheerenlanden in 2022 verschillende noodbevelen uitgevaardigd tot sluiting van een woning. Na afloop van het laatste noodbevel zijn in augustus 2022 afspraken gemaakt met de bewoners van de woning. Zij keren niet terug naar de woning zolang de dreiging actueel en hoog is. Begin 2023 lijkt deze situatie niet meer houdbaar te zijn en willen de bewoners toch terugkeren. Dit is voor de burgemeester aanleiding om een nieuw noodbevel uit te vaardigen tot sluiting van de woning omdat – in essentie – de ernstige geweldsdreiging nog steeds actueel is. Hij baseert zich daarbij op diverse rapportages van de politie.

De voorzieningenrechter volgt de burgemeester dat – ondanks het tijdsverloop en het inmiddels gedetineerd zijn van enkele betrokkenen – nog steeds sprake is van een voortdurende actuele dreiging. Kort gezegd zijn niet alle betrokkenen aangehouden en houden zij zich alleen rustig vanwege het lopende onderzoek. Aanvullende maatregelen zoals cameratoezicht zijn al getroffen maar zijn op zichzelf onvoldoende om de veiligheid te waarborgen. De sluiting valt ook verder proportioneel te noemen, nu de burgemeester ter zitting heeft verzekerd dat de bewoners niet op straat komen te staan met hun jonge kind.

Uit deze uitspraak volgt dat de factor tijdsverloop op zichzelf niet afdoet aan de actualiteit van een dreiging. Als deze dreiging nog steeds (zeer) hoog is en dit volgt ook uit rapportages van de politie, kan een situatie waarin ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden lang(er) voortduren. Verder lijkt de toezegging van de burgemeester dat de bewoners en hun jonge kind niet op straat komen te staan ook van (groot) belang te zijn geweest.

Conclusie
Had deze zaak nu ook nog een andere afloop kunnen krijgen? Uiteraard valt dat lastig in te schatten, maar wat mij opvalt is dat de vraag of een noodbevel nog steeds een geschikt instrument is in het geval een dreiging structureel lijkt te zijn, niet is gesteld. Daarover valt naar mijn mening nog wel het een en ander te zeggen gelet op het toch ‘ad hoc’ karakter van een noodbevel.

Relevantie
Alhoewel het niet vaak gebeurt, kan een burgemeester een (bedrijfs)pand ook bij bevel sluiten als bedoeld in artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet. Wel gelden dan voorwaarden, namelijk dat de sluiting dient ter bescherming van de openbare orde en gezondheid en dat sprake is van onverwijlde spoed. Of voldaan wordt aan deze voorwaarden wordt – in beginsel – terughoudend getoetst door de rechter. Is van een dergelijke situatie ook sprake als nog geen concreet incident bij een pand heeft plaatsgevonden, maar wel sprake is van incidenten bij andere panden van dezelfde eigenaar in andere gemeenten? De voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg komt in een vonnis van 14 maart 2023 tot het voorlopige oordeel dat ook dan tot een onmiddellijke sluiting kan worden overgegaan van (i.c.) een pand in Roermond op grond van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet.

Samenvatting
Uit de (overigens geheime) bestuurlijke rapportage volgt dat het aannemelijk is dat ook ten aanzien van het pand in Roermond incidenten zullen plaatsvinden. Daarmee is gegeven dat een bevel tot sluiting strekt tot bescherming van de openbare orde en gezondheid, ook al is nog geen sprake van een concreet incident.

Wel stelt de voorzieningenrechter dat een sluiting niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk is. Daarbij geeft de voorzieningenrechter ook een doorkijkje naar de beoordeling van een eventuele verlenging van de sluiting. De voorzieningenrechter geeft aan dat dan uitdrukkelijk aan de subsidiariteit en proportionaliteit zal worden getoetst. Of een verlengde sluiting de toets der kritiek kan doorstaan is dan ook onzeker.

Tot slot valt het – op zichzelf begrijpelijke – argument van de pandeigenaar op, namelijk dat het besluit (mogelijk door concurrenten) is uitgelokt omdat het bijna zeker is dat een pand na een incident wordt gesloten. De voorzieningenrechter overweegt wat mij betreft terecht dat dit niet afdoet aan het gevaar voor bezoekers en omwonenden als een incident zou plaatsvinden.

Relevantie
Wanneer wordt voldaan aan het vereiste van direct toezicht als bedoeld in artikel 4.79 van het Activiteitenbesluit en artikel 4.86 Activiteitenregeling? Deze vraag lag voor bij de rechtbank Rotterdam in het kader van een verbeurde last onder dwangsom en heeft geleid tot een uitspraak van 23 februari 2023.

Samenvatting
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht stelde dat bij het bunkeren aan een motorschip geen direct toezicht was gehouden waardoor gasolie in het water was terechtgekomen. De gasolieslang was verkeerd aangesloten en direct toezicht had dit kunnen voorkomen, aldus het college.

De rechtbank stelt bij de bespreking van het beroep voorop dat de tekst van de wet en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8.86 van de Activiteitenregeling geen duidelijk antwoord geven op de vraag wat onder direct toezicht moet worden verstaan. Om toch tot een antwoord te komen bespreekt de rechtbank vervolgens de uitleg die eerder in de rechtspraak is gegeven aan het begrip direct toezicht en leidt daaruit het volgende af:

i) Direct toezicht houdt in dat de toezichthouder (i.c. de bunkerwacht) lijfelijk ter plaatse moet zijn in de directe nabijheid van het leveren van de vloeibare brandstoffen;
ii) Cameratoezicht of toezicht uit een gebouw is dus niet toegestaan;
iii) Direct toezicht met lijfelijke aanwezigheid houdt niet in dat klanten niet meer zelf mogen tanken, en
iv) Ook houdt dit niet in dat verschillende afleverzuilen niet onder toezicht van één deskundig personeelslid in gebruik mogen zijn.

Aan de hand van deze criteria komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Volgens de rechtbank is niet vereist dat de bunkerwacht zelf tankt. Wel is vereist dat de bunkerwacht in dat geval voldoende toezicht houdt en voldoende informatie verstrekt. Uit de rapportage van de toezichthouder volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat in dit geval onvoldoende informatie is verstrekt, of dat onvoldoende is gecommuniceerd. Dat een gasolieslang onjuist is aangesloten, maakt niet dat reeds daarom onvoldoende toezicht is gehouden. Er kunnen immers meerdere redenen zijn voor deze fout en daarover is niet gerapporteerd, aldus de rechtbank.

Slotopmerking
Uit deze uitspraak volgt maar weer eens dat het ook bij de beoordeling van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd van groot belang is om vast te stellen of en waarom sprake is van een overtreding van de last en dit ook goed neer te leggen in een rapportage. Verder – en dat meer terzijde – roept de beoordeling door de rechtbank bij mij wel de vraag op of de onderliggende last onder dwangsom in rechte stand had kunnen houden als daartegen bezwaar was ingediend. Wellicht dat deze discussie bij de rechtbank dan niet nodig was geweest.

Relevantie
De Huisvestingsverordening van de gemeente Rotterdam is de afgelopen jaren verschillende keren in rechte gesneuveld. De onderbouwing van de verordening – met name van de schaarste van woonruimte – liet te wensen over. Ook de Huisvestingsverordening 2019 kon op dit punt de toets der kritiek van de rechtbank Rotterdam niet doorstaan. De Afdeling denkt hier anders over en vernietigt de uitspraak van de rechtbank bij uitspraak van 8 februari jl. op dit punt. Anders dan de rechtbank, acht de Afdeling de onderbouwing van de Huisvestingsverordening wel afdoende.

Samenvatting
Hoe komt de Afdeling tot dit oordeel? De Afdeling start met een korte bespreking van de systematiek van de Huisvestingswet. Kort gezegd mag een vergunningplicht voor het samenvoegen, onttrekken en omzetten van woonruimte alleen in een huisvestingsverordening worden opgenomen als dit noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte. Dit volgt uit artikel 2 van de Huisvestingswet. Zowel de schaarste als de geschiktheid en de noodzaak dienen wel te worden onderbouwd.

Bij de onderbouwing van schaarste moet in ieder geval onderscheid worden gemaakt in woningtypes en prijssegmenten. Anders dan de rechtbank, overweegt de Afdeling dat een specificatie op wijkniveau geen verplichting is op grond van de Huisvestingswet en dus ook niet noodzakelijk is. Als voldoende is onderbouwd dat in de hele gemeente sprake is van schaarste aan bepaalde types en segmenten woningen, hoeft dit niet nader te worden onderbouwd op wijkniveau, aldus de Afdeling.

De onderbouwing van de Huisvestingsverordening door de gemeente Rotterdam voldeed aan deze (minimale) eisen. Kort en goed is volgens de door de gemeente gepresenteerde onderzoeken zowel sprake van schaarste, als van negatieve effecten vanwege deze schaarste. Zo is sprake van oplopende prijzen en dalende transacties die worden veroorzaakt door schaarste. Ook is sprake van een stagnerende doorstroom vanwege deze effecten. Gelet hierop kon een vergunningplicht worden opgenomen in de Huisvestingsverordening.

Dat de diverse onderzoeken eerst na het vaststellen van de Huisvestingsverordening beschikbaar zijn gekomen, maakt dit volgens de Afdeling niet anders. In het geval van een voorschrift dat exceptief wordt aangevochten, mag bij verweer worden onderbouwd waarom en bepaling rechtmatig is. Die motivering moet wel in lijn zijn met dat voorschrift en het (eerdere) standpunt van (in dit geval) de gemeenteraad, en daarvan was in dit geval sprake.

Eind goed al goed? Nee, (nog) niet. Het besluit tot weigering van een vergunning zelf deugt volgens de Afdeling ook niet. Onvoldoende gemotiveerd is waarom bewoning door studenten geen positieve invloed op het woon- en leefmilieu zal hebben. Wordt dus vervolgd.

Relevantie
Het is van groot belang om niet alleen tegen een invorderingsbesluit, maar ook tegen de daaraan voorafgaande last onder dwangsom op te komen. Dit volgt uit de uitspraak van 15 februari 2023 van de Afdeling. Alhoewel in evidente gevallen enige ruimte bestaat om in het kader van de invordering de last zelf te betwisten, volgt ook uit deze uitspraak weer dat deze ruimte zeer beperkt is. Verder is invordering van een verbeurde dwangsom ook niet snel onevenredig. Een beperkt aantal overtredingen is – zeker als er klachten bekend zijn van bijvoorbeeld omwonenden – in ieder geval geen bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien.

Samenvatting
Het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel had een last onder dwangsom opgelegd aan een politiehondenvereniging vanwege – kort gezegd – geluidsoverlast vanwege blaffende honden. De vereniging zou hiermee de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit hebben overtreden. Tegen de last onder dwangsom zelf is door de vereniging geen (hoger) beroep ingediend.
Eerst tegen het besluit tot invordering van de verbeurde dwangsommen komt de vereniging op tot – uiteindelijk – de Afdeling. De vereniging stelt in hoger beroep dat zij niet onder het Activiteitenbesluit valt omdat zij geen inrichting drijft, het akoestisch rapport niet ten grondslag kan worden gelegd aan de invordering, sprake was van sportactiviteit als bedoeld in het Activiteitenbesluit en invordering onevenredig is.

De Afdeling gaat niet mee met deze standpunten van de vereniging en laat het invorderingsbesluit in stand. Volgens de Afdeling is het niet evident dat de vereniging geen inrichting drijft, zodat geen ruimte bestaat voor het doorbreken van de formele rechtskracht van de eerder opgelegde dwangsom. Verder kan het akoestisch rapport volgens de Afdeling de toets der kritiek doorstaan ook al zijn de metingen door een onbemande geluidmeter verricht. Op betrouwbare wijze vaststellen door welke gebeurtenis een geluidpiek is veroorzaakt, kan ook op een andere manier dan door directe waarneming door een toezichthouder, aldus de Afdeling. Specifiek ten aanzien van de vraag of sprake is van sportactiviteiten, overweegt de Afdeling dat inderdaad niet direct uit het Activiteitenbesluit volgt wat daaronder moet worden verstaan. Uit de doelstelling van de regeling en de bedoeling van de regelgever leidt de Afdeling echter af dat hondentrainingen niet als sportactiviteiten kunnen worden aangemerkt. Tot slot is de omstandigheid dat slechts de overschrijdingen van kort duur waren en beperkt in omvang niet zo bijzonder dat daarom van invordering had moeten worden afgezien. De vereniging is dus de gebeten hond, en dient de verbeurde dwangsommen te voldoen.

Relevantie
Een last moet zo worden geformuleerd, dat degene aan wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat er gedaan of nagelaten moet worden om een overtreding te beëindigen. Dat lijkt glashelder, maar in de praktijk gaat dit nog wel eens mis.

Formuleren herstelmaatregel(en)
Als bijvoorbeeld de situatie waarin de overtreding zelf niet (meer) ter discussie staat, maar het ook voor het bevoegd gezag niet duidelijk is hoe de oude situatie – dus voor de overtreding – er nu precies uitzag, dan kan niet (zonder meer) als herstelmaatregel in de last worden geëist dat herstel naar de oude situatie moet plaatsvinden. De rechtszekerheid verzet zich tegen een dergelijke formulering omdat dan niet duidelijk is welke maatregelen getroffen moeten worden, zo ondervond ook het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden in een uitspraak van de Afdeling van 23 februari jl. Het college moet het huiswerk opnieuw doen, en bezien of nu wel licht in de duisternis kan worden gebracht bij het formuleren van de last.

Het formuleren van herstelmaatregelen luistert dus (extra) nauw in situaties waarin niet zonder meer duidelijk is wat de oude situatie voor de overtreding is geweest. Het doen van gedegen onderzoek voorafgaand aan het besluit tot het opleggen van een last – zo nodig aan de hand van oude tekeningen en/of foto’s – kan dan helpen. Blijft de oude situatie onduidelijk, dan heeft dit (vaak) ook consequenties voor de herstelmaatregelen die kunnen worden verlangd van een overtreder. Het terugbrengen naar de oude toestand is dan niet zonder meer mogelijk. Wel kan – zo nodig in overleg met de overtreder – worden bezien welke concrete maatregelen nodig zijn om de overtreding te beëindigen en/of te komen tot een aanvaardbare situatie en kunnen deze concrete maatregelen worden voorgeschreven in de last.

Relevantie
Net als in het strafrecht geldt ook in het bestuursrecht dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie alleen bestaat als deze bij wet in formele zin is toegekend. Artikel 5:4 van de Awb houdt hiermee de bestuursrechtelijke codificatie van het legaliteitsbeginsel in. Op basis van dit beginsel kwam de rechtbank Oost-Brabant tot het oordeel dat de voorzitter van de veiligheidsregio Brabant-Noord niet bevoegd was om in maart 2020 – in het geval van een geopende sauna – naleving van de destijds geldende noodverordening af te dwingen door middel van een last onder dwangsom en spoedbestuursdwang.

Samenvatting
De rechtbank constateert dat in maart 2020 deze bevoegdheden nog niet aan de voorzitter waren toegekend door de wetgever. Dat de wetgever deze omissie kort daarna heeft gerepareerd en daarbij heeft aangegeven dat uit een redelijke lezing van de wet volgde dat ook in maart 2020 deze bevoegdheden al aan de voorzitter toekwamen, baat de voorzitter niet. Immers, zoals de rechtbank terecht overweegt, vereist het legaliteitsbeginsel dat de bevoegdheid tot oplegging van een bestuurlijke sanctie bij wet in formele zin wordt toegekend. Een redelijke lezing van de wet is dan niet genoeg, ook niet in een noodsituatie vanwege de uitbraak van Covid-19.

Nood breekt dus geen wet, aldus de rechtbank. Opvallend is daarbij dat dit probleem al werd gesignaleerd bij de behandeling van de Tijdelijke Wet Covid-19 Justitie en Veiligheid, zo volgt uit door de rechtbank geciteerde vragen van Kamerleden. De wetgever was dus gewaarschuwd. Bij de aangekondigde herziening van het staatsnoodrecht zijn deze bevoegdheidsperikelen wat mij betreft verder een uitdrukkelijk punt van aandacht, zowel gelet op het legaliteitsbeginsel als gelet op de mogelijkheden die er wel moeten zijn om handhavend op te treden in geval van nood.

Relevantie
Het nieuwe jaar is nog maar net begonnen of de Afdeling heeft al een voor de toegang tot de rechter belangrijke uitspraak gedaan. Wat was er aan de hand? Een belanghebbende stelde een beslissing op bezwaar niet te hebben ontvangen en doet een beroep op een verschoonbare termijnoverschrijding. De Afdeling beoordeelt de verschoonbaarheid nadat eerst is vastgesteld dat het niet aan het bestuursorgaan lag dat het besluit onbestelbaar retour is ontvangen. Het besluit was dus op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Samenvatting
De Afdeling komt tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Opvallend is dat de Afdeling bij dit oordeel wel begint met de vaste lijn – namelijk dat een belanghebbende feiten moet stellen waaruit redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht niet is ontvangen – maar bij de bespreking van de concrete feiten en omstandigheden ook andere zaken laat meewegen. Zo weegt de Afdeling ook mee dat het aannemelijk is dat appellant de beslissing op bezwaar zou hebben afgehaald als hij een afhaalbericht zou hebben gekregen en laat de Afdeling meewegen dat het handelen van het bestuursorgaan in kwestie niet de schoonheidsprijs verdient. Intern is het een en ander misgegaan.

Op het moment dat een termijnoverschrijding verschoonbaar is dient een belanghebbende vervolgens wel binnen een termijn van twee weken nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen bezwaar of beroep in te dienen. Wordt die termijn langer, dan hangt het van de feiten en omstandigheden van het geval af of een later ingesteld bezwaar of beroep als niet verwijtbaar te laat wordt aangemerkt. In dit geval had de belanghebbende (ook) deze termijn niet gehaald. Hij was van de reguliere termijn van zes weken uitgegaan. Bij de beoordeling van de verwijtbaarheid, volgen vervolgens de meest verstrekkende overwegingen van de Afdeling. De Afdeling begint nog wel met een bespreking van het belang van termijnen voor de rechtszekerheid, en het voorkomen van rechtsonzekerheid doordat een besluit na een termijn alsnog aantastbaar wordt. Vervolgens koppelt de Afdeling het belang van de rechtszekerheid aan geschillen waarin belangen van derden op het spel staan. Juist omdat hier ‘slechts’ sprake was van een tweepartijengeschil en omdat appellant in persoon procedeerde wordt geoordeeld dat geen sprake is van een verwijtbaar (te) laat ingediend beroep. Van hem kon niet worden verwacht dat hij in dit geval een andere dan de reguliere termijn tot zijn beschikking had.

Hoe nu verder? Deze stap van de Afdeling valt toe te juichen en past in de tendens om terug te keren naar de doelstelling van de Algemene wet bestuursrecht, namelijk om bestuursrechtelijke procedures laagdrempelig te laten zijn. Hopelijk volgen ook de andere hoogste bestuursrechters deze lijn van de Afdeling en stappen we langzaam – maar het liefst wat sneller – af van de soms wel erg hoge drempels voor toegang tot de rechter.