Indien om intrekking met terugwerkende kracht van een reeds geëindigde omgevingsvergunning wordt verzocht, komt de vraag op of de verzoeker nog (voldoende) procesbelang heeft bij dit verzoek. Dat is het geval indien de rechtsgeldigheid van deze vergunning het uitgangspunt is in een lopende civielrechtelijke procedure (bijvoorbeeld een huurovereenkomst op grond van de Leegstandswet), en het antwoord op de vraag of de vergunning met terugwerkende kracht moet worden ingetrokken dus van belang is voor de (proces)positie van de verzoeker in die procedure.

De Raad van State oordeelde in een uitspraak van 3 september 2025 aan de hand van deze maatstaf dat een verzoeker nog voldoende belang had bij zijn beroep tegen het niet beslissen door de Gemeente Bergen NH op een ingediend bezwaar. Inhoudelijk gezien schiet de verzoeker er overigens niet veel mee op. Zijn bezwaar was gericht tegen een e-mail van een advocaat van de gemeente waarin werd aangegeven dat het college niet aan het intrekkingsverzoek tegemoet zou komen. De advocaat was echter niet gemandateerd om besluiten te nemen en deed zich ook overigens niet als bevoegd namens het college voor. De e-mail was dus niet afkomstig van een bestuursorgaan en daarmee ook geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De bezwaren gericht tegen dit besluit waren dan ook kennelijk niet-ontvankelijk volgens de Afdeling.

Deze zaak roept wel de vraag op of hier een procedure van 3 jaar voor nodig was om tot dit oordeel te komen. Indien (tijdig) een beslissing op bezwaar zou zijn genomen met deze inhoud, dan was de zaak daarmee wellicht al duidelijk voor partijen geweest.

Is het deel uitmaken van een drillrapgroep voldoende voor het opleggen van een gebiedsverbod ex artikel 172a van de Gemeentewet? Dit is het geval naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam in een uitspraak van 25 augustus 2025. Een door de burgemeester van de Gemeente Rotterdam opgelegd gebiedsverbod inclusief looproute blijft dan ook voorlopig in stand.

De voorzieningenrechter acht van belang dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat verzoeker lid zou zijn van de groep KD3. Deze groep zou in conflict zijn geraakt met enkele andere rivaliserende groepen. Dit conflict heeft tot een veelheid van vaak ernstige incidenten geleid. Bij drie incidenten zou de verzoeker betrokken of aanwezig zijn geweest. Los hiervan zijn acht overlastgevende registraties bekend over verzoeker in een periode van ruim een half jaar. Alhoewel verzoeker de inhoud van de rapportage betwist, passeert de voorzieningenrechter dit betoog en oordeelt dat de burgemeester gelet op de inhoud van de rapportage in beginsel bevoegd is om een gebiedsverbod op te leggen. Verzoeker heeft namelijk niet aangegeven waarom de inhoud van de rapportage onjuist zou zijn.

Wat wel opvalt, is dat de voorzieningenrechter in dit verband over ‘veel en ernstige overlast’ spreekt vanwege het deel uitmaken van een drillrapgroep en het eigen gedrag van verzoeker. Dat is een iets andere maatstaf dan die volgt uit artikel 172a van de Gemeentewet. Immers, dit artikel stelt de (vrees voor) ernstige en herhaaldelijke verstoring van de openbare orde centraal. Nu kan overlast – en zeker de in deze zaak beschreven overlast – uiteraard leiden tot een verstoring van de openbare orde, maar het was zuiverder geweest als dit ook in de uitspraak tot uitdrukking was gebracht.

Verder voldoet het gebiedsverbod volgens de voorzieningenrechter ook aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Alhoewel het verbod voor het centrum van Rotterdam geldt en verzoeker ook in het centrum woont, is een looproute naar zijn school opgenomen. Ook kan om een looproute worden verzocht in het geval van bezoek aan een tand- of huisarts en is afspreken met familie nog steeds mogelijk. Verder heeft verzoeker een hulpaanbod geweigerd, is sprake van een beperkte duur en is verzoeker een deel van deze duur op vakantie.

Alles afwegend komt de voorzieningenrechter tot het begrijpelijke oordeel dat het gebiedsverbod voorlopig stand kan houden. De voorzichtige verwachting is wel dat deze zaak na de bezwaarfase nogmaals aan de Rotterdamse rechter zal worden voorgelegd. Of de zaak dan meer kans maakt, moet worden afgewacht. In bezwaar zal de openbare orde in ieder geval een punt van aandacht vormen.

Verklaringen die ten grondslag worden gelegd aan een bestuurlijke boete dienen voldoende betrouwbaar te zijn. Indien in dit verband personen worden gehoord die de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, is het nodig om te voorzien in de nodige waarborgen. Denk hierbij aan de inzet van een (al dan niet beëdigde tolk) en het voorhouden van wel voorlezen van de verklaringen ter verificatie daarvan. Ook dient in het geval gebruik wordt gemaakt van een formulier voor het afleggen van een verklaring duidelijk te zijn wie dit formulier heeft ingevuld.

In een uitspraak van de Raad van State van 20 augustus 2025 volgt dat een aantal verklaringen dat ten grondslag was gelegd aan een overtreding van de Wml niet aan deze minimale eisen voldeed. Zo was onduidelijk wie wat had ingevuld op een formulier en was geen gebruikgemaakt van een tolk. De inhoud van deze verklaringen werd verder gemotiveerd betwist.

Onder deze omstandigheden komt de Afdeling tot het oordeel dat er zodanige twijfel bestaat over de betrouwbaarheid van de verklaringen die in de boeterapporten zijn opgenomen dat deze niet aan de vaststelling van de overtreding van de Wml ten grondslag kunnen worden gelegd. Omdat er geen ander bewijs voorhanden is, kan deze boete geen standhouden. Dit heeft uiteindelijk nog een bijkomend voordeel voor appellant. Omdat de redelijke termijn is overschreden en ten aanzien van deze boete geen matiging meer mogelijk is, komt aan hem een vergoeding vanwege deze overschrijding toe.

Tot slot komt appellant niet helemaal ongeschonden uit de strijd. Een eveneens aan appellant opgelegde boete vanwege een overtreding van de Atw kan de toets der kritiek van de Afdeling wel doorstaan.

In een uitspraak van 16 juli 2025 bevestigt de Raad van State dat artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet een grondslag biedt voor het (tijdelijk) in beslag nemen van honden. Wel is uiteraard noodzakelijk dat vanwege het gedrag van de honden sprake is van een verstoring van de openbare orde, of in elk geval de ernstige vrees aanwezig was voor het ontstaan daarvan. Dat is bijvoorbeeld het geval als sprake is van (dreigende) bijtincidenten met dieren of mensen die tot onrust in een woonomgeving leiden.

Anders dan de rechtbank, vond de Afdeling dat de burgemeester van de Gemeente De Wolden voldoende had gemotiveerd dat van een dergelijke situatie sprake was en hij bevoegd was tot een tijdelijke inbeslagname van twee herdershonden, Rex en Max. Deze honden waren namelijk betrokken bij een reeks van incidenten. Bij een laatste incident waren schapen verwond en omgekomen en dit incident had tot de nodige onrust in de buurt geleid. Naar aanleiding van dit laatste incident zijn Rex en Max door de burgemeester tijdelijk inbeslaggenomen en onderzocht. Deze tijdelijke inbeslagname was volgens de Afdeling verder proportioneel, waarbij de Afdeling ook het gedrag van de eigenaren van de honden betrekt. Eerder waren door andere honden van deze eigenaren ook al schapen doodgebeten.

Volgens de Afdeling was verder voldoende duidelijk dat sprake was van een tijdelijke inbeslagname, en niet van een permanente ontneming van eigendom in de vorm van een herplaatsing. Voor dit laatste biedt het bepaalde in artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet namelijk onvoldoende grondslag. De Afdeling oordeelt ook hier anders dan de rechtbank en wijst op de tekst van het besluit en op de feitelijke teruggave van de honden aan de eigenaren. Dit laatste overigens wel onder voorwaarden die door de burgemeester waren neergelegd in een nieuwe beslissing op bezwaar die noodzakelijk was vanwege de uitspraak van de rechtbank.

Alhoewel het hoger beroep van de burgemeester slaagt, is het wel de vraag of het eindresultaat ook tot tevredenheid zal stemmen bij de burgemeester. Omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, vervalt hiermee ook de nieuwe beslissing op bezwaar met beperkende voorwaarden. Gelet op de resultaten van de onderzoeken – en waaruit volgt dat met name bij Max zonder maatregelen een zeer hoog risico bestaat – is dit niet de meest wenselijke uitkomst. Goed voorstelbaar is dat de burgemeester snel tot oplegging van nadere voorwaarden zal willen overgaan.

Niet de titel van een bestemming is leidend voor het antwoord op de vraag of sprake is van strijd met een bestemmingsplan, maar wel de op de verbeelding aangegeven bestemming en de bijbehorende planregel. En vanwege de rechtszekerheid dient een planregel letterlijk te worden uitgelegd.

Omdat in een bestemmingsplan van de Gemeente Midden-Drenthe wel was bepaald wat onder recreatiewoning moet worden verstaan, maar niet was bepaald dat deze woningen (uitsluitend) voor recreatieve doeleinden mochten worden gebruikt, kon door het college niet op grond van strijd met het bestemmingsplan handhavend worden opgetreden tegen de huisvesting van arbeidsmigranten in die woningen. Een door het college opgelegde preventieve last onder dwangsom die volgens het college verbeurd was kon de toets der kritiek van de Raad van State dan ook niet doorstaan, zo volgt uit de uitspraak van 9 juli 2025.

Een reparatiepoging van het college in hoger beroep, door te stellen dat de in de woningen aangetroffen personen geen huishouden of een daarmee gelijk te stellen groep van personen vormden, haalde het ook niet. Een feitelijke vaststelling van deze situatie ontbrak namelijk. Er waren geen controlerapporten of andere stukken aanwezig ter onderbouwing van het standpunt. Een nieuwe controle zou gelet op het tijdsverloop verder niet zinvol zijn, omdat daarmee niet zou kunnen worden vastgesteld wat de feitelijke situatie was ten tijde van de handhavingsbesluiten.

De motivering van het oordeel dat een exploitant van een horecabedrijf van slecht levensgedrag is, dient aan specifieke voorwaarden te voldoen. Als geen sprake is van een wettelijke regeling, beleidsregel of beleidsstuk waarin is gespecificeerd wat slecht levensgedrag is, wordt het toetsingskader gevormd door de uitspraak van de Raad van State van 25 mei 2022.

Uit deze uitspraak volgt dat moet worden gemotiveerd i) waarom de concrete feiten en omstandigheden die leiden tot het oordeel ‘slecht levensgedrag’ relevant zijn voor (i.c.) de exploitatie van een horecabedrijf, ii) hoe een betrokkene vooraf had kunnen weten dat hij gelet op de concrete feiten en omstandigheden niet van slecht levensgedrag mocht zijn en dit ook evident is en iii) waarom de concrete feiten en omstandigheden niet gering zijn en ondanks tijdsverloop nog steeds iets zeggen over de betrouwbaarheid van een betrokkene.

Met de rechtbank was de Afdeling in een uitspraak van 2 juli 2025 van oordeel de burgemeester van Gemeente Oosterhout niet aan de eerste twee voorwaarden had voldaan en een aanvraag om een exploitatievergunning ten onrechte was geweigerd. De burgemeester had ten aanzien van een betrokkene wel een groot aantal feiten en omstandigheden benoemd, maar de ‘waar rook is, is vuur’ benadering van de burgemeester is volgens de Afdeling onvoldoende concreet om te motiveren waarom deze persoon niet als leidinggevende van een horecaonderneming kon fungeren. In het verlengde hiervan, oordeelt de Afdeling dat ook niet aan de tweede voorwaarde is voldaan. Slechts ten aanzien van de derde voorwaarde volgt de Afdeling de burgemeester wel, omdat de feiten niet gering waren en het tijdsverloop kort was. Dit is echter onvoldoende om een weigering op te baseren.

Omdat de burgemeester in beroep al met hetzelfde oordeel was geconfronteerd, was hangende het hoger beroep een nieuw besluit genomen. Ter voorbereiding op dit nieuwe besluit had de burgemeester feiten en omstandigheden die hadden plaatsgevonden voor de aanvraag om een exploitatievergunning getoetst aan een beleidsregel die eerst hangende hoger beroep tot stand was gekomen. In deze beleidsregel stond beschreven hoe de burgemeester slecht levensgedrag beoordeelt. Dit leverde opnieuw een weigering op. Ook dit nieuwe besluit kan – terecht – de toets der kritiek van de Afdeling niet doorstaan. Uit artikel 10 van de Dienstenrichtlijn volgt namelijk dat een dienstverlener vooraf kennis moet kunnen nemen van de gehanteerde vergunningsvoorwaarden. Daarvan was in dit geval geen sprake nu het nieuwe beleid pas na de aanvraag en hangende hoger beroep tot stand was gekomen.

De Afdeling stuurt de burgemeester weer opnieuw naar de tekentafel met een duidelijke boodschap. Namelijk dat een eventuele nieuwe weigering (veel) beter gemotiveerd zal moeten worden. Of deze motivering kan worden gegeven, is gelet op de uitspraak zeer de vraag.

De enkele aanwezigheid van een grote hoeveelheid illegaal vuurwerk in een woning is volgens de Raad van State onvoldoende om tot sluiting daarvan over te gaan op grond van artikel 174a van de Gemeentewet (oud). Ook de openbare orde dient te zijn verstoord of de ernstige vrees daarvoor moet bestaan vanwege bijvoorbeeld (langdurige) overlast of andere concrete feiten en omstandigheden.

Omdat de burgemeester van Gemeente Winterswijk de enkel de aanwezigheid van een grote hoeveelheid illegaal vuurwerk ten grondslag had gelegd aan een woningsluiting op grond van artikel 174a van de Gemeentewet, hield deze sluiting geen stand bij de Afdeling in de uitspraak van 25 juni 2025. Dit zal onder de nieuwe redactie van artikel 174a van de Gemeentewet niet anders zijn, omdat ook dan nog steeds sprake dient te zijn van (de vrees voor) een verstoring van de openbare orde.

Een reparatiepoging door de burgemeester in hoger beroep door te stellen dat de artikelen 174 en 175 wel aan de sluiting ten grondslag konden worden gelegd slaagt ook niet. In de beslissing op bezwaar waren deze artikelen niet grondslag opgenomen en in beroep is het dus ook niet over deze grondslagen gegaan. De Afdeling overweegt terecht – en wellicht wat strenger dan voorheen – dat de burgemeester onder deze omstandigheden de grondslag van zijn besluitvorming niet meer in hoger beroep mag wijzigen.

Indien de reparatiepoging door de burgemeester wel zou zijn toegelaten, zou een noodbevel op grond van artikel 175 van de Gemeentewet wellicht wel de eindstreep hebben gehaald gelet op de hoeveelheid vuurwerk, de nabijheid tot woningen en de mogelijke gevolgen in geval bij bijvoorbeeld een brand.

Onrechtmatig bewijs in het bestuursrecht. Het komt niet vaak voor dat wordt geoordeeld dat een bestuursorgaan bewijs op een onrechtmatige wijze heeft verkregen en dit bewijs vervolgens ook wordt uitgesloten. Toch is de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland in de uitspraak van 25 juni 2025 van oordeel dat hiervan sprake is en wordt een woningsluiting van de burgemeester van Zaanstad geschorst.

Wat was er aan de hand? Een bijstandsgerechtigde inwoner van Zaanstad zou zich volgens een MMA-melding bezig houden met handel in drugs. Toezichthouders van de gemeente besluiten hierop een huisbezoek af te leggen in het kader van een controle op de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering. Als reden voor het huisbezoek wordt voorafgaand aan het binnentreden van de woning ook uitsluitend aangegeven dat sprake is van een controle op de woon- en leefsituatie. Na binnentreden van de woning zijn de toezichthouders nog geen twee stappen in de woning als zij al drugs aantreffen. Het vervolg laat zich raden. De woning wordt op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten en de bijstandsuitkering wordt geblokkeerd.

De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de toestemming voor het huisbezoek niet is gegeven op basis van ‘informed consent’. Zowel uit de rapportage als het sluitingsbesluit volgt dat de reden van het huisbezoek namelijk (primair) de verdenking van handel in drugs was. Zowel voorafgaand als tijdens het huisbezoek is dit door de toezichthouders niet gemeld aan de bewoner of is het formulier informed consent aangepast, zodat volgens de voorzieningenrechter moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het huisbezoek. Ook is het de vraag of een enkele MMA-melding voldoende was om te twijfelen aan de woon- en leefsituatie en of de wel gemelde redelijke grond voor het huisbezoek dus voldoende steun vond in het dossier. Kort en goed oordeelt de voorzieningenrechter dat naar zijn voorlopig oordeel sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs.

Omdat het verder gaat om de inbreuk op een grondrecht – het huisrecht – en het huisbezoek lijkt te zijn verkleurd naar een strafrechtelijk onderzoek door de toezichthouders op het moment dat zij eenmaal binnen waren, sluit de voorzieningenrechter de bevindingen van het huisbezoek uit. De voorzieningenrechter gebruikt daarbij stevige bewoordingen, en stelt dat sprake lijkt te zijn van een bewuste keuze om het eigenlijke doel van het huisbezoek niet te melden. Mede omdat een redelijke grond ontbreekt, duidt dit volgens de voorzieningenrechter op détournement de pouvoir en dat is niet toegestaan. Alhoewel deze uitspraak alleen ziet op de woningsluiting, valt niet uit te sluiten dat de blokkering van de bijstandsuitkering hetzelfde lot treft.

Of deze gebreken nog kunnen worden hersteld in bezwaar is de vraag. De uitspraak van de voorzieningenrechter laat weinig ruimte en de wijze waarop het bewijs is verkregen kan niet (eenvoudig) worden hersteld in bezwaar.

Voor de RSV schreef ik een annotatie onder de uitspraak van de Raad van State van 26 maart 2025 over niet-tijdig beslissen in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De annotatie heeft als titel “Over talmen van de wetgever en de taak van de rechter” en gaat in op zowel in op de structurele oplossing die de Afdeling biedt voor de beslistermijnproblematiek, als de vraag of deze oplossing nu wel toekomstbestendig is. Bij het volmondig met ‘ja’ beantwoorden daarvan bestaan bij mij namelijk de nodige aarzelingen.

De annotatie is hier te raadplegen: RSV 2025-62, m.nt. R.S. Wijling

 

In navolging van de rechtbank Midden-Nederland is ook de Raad van State van oordeel dat burgemeester van Utrecht op grond van de APV geen last onder dwangsom kon opleggen vanwege het digitaal (Telegram) oproepen tot wanordelijkheden. De verbodsbepaling uit artikel 2.2 van de APV van de gemeente Utrecht ziet namelijk uitdrukkelijk op een openbare fysieke plaats. Een weliswaar vrij toegankelijke digitale ruimte zoals een groepschat is dit niet. Daarbij dienen zowel het gedrag dat aanleiding geeft tot wanordelijkheden als de wanordelijkheden zelf zich af te spelen in deze fysieke plaats.

Anders dan de rechtbank gaat de Afdeling in de uitspraak van 11 juni 2025 niet in op de vraag of op basis van een APV-bepaling (lagere regelgeving) de inhoud van uitlatingen aan banden mogen worden gelegd. Wel signaleert de Afdeling terecht dat oproepen via digitale sociale media steeds vaker tot aanzienlijke onrust kunnen leiden. Het is volgens de Afdeling echter aan de wetgever om een op deze situatie toegesneden wettelijk voorschrift (en dus niet over de band van de APV) vast te stellen. Inmiddels heeft de wetgever daartoe ook een aanzet gedaan en het initiatiefwetsvoorstel Wet online aangejaagde openbare-ordeverstoring ter consultatie aangeboden. Laura Hinrichs en ik hebben op dit voorstel een reactie op ingediend.

Nederland was in 2023 in Europa de onbetwiste koploper in het ontmantelen van drugslabs. Als bij de ontmanteling (spoed)eisende bestuursdwang wordt toegepast kunnen de kosten daarvan alleen op de overtreder worden verhaald. Dit is niet altijd de persoon die feitelijk het drugslab runde. Ook de eigenaar of verhuurder van een pand kan afhankelijk van de gekozen juridische grondslag overtreder zijn. Wel gelden dan vaak aanvullende voorwaarden, zo volgt maar weer eens uit een uitspraak van de Raad van State van 4 juni 2025.

De feiten en overtredingen liegen er niet om. De eigenaar van een pand in Gemeente Pekela verhuurde dit. In 2022 ontstaat kort na het overlijden van de huurder brand. Het pand wordt zwaar aangetast en raakt instabiel. Ook blijkt dan dat een drugslab aanwezig is en zijn vanwege de brand schadelijke stoffen vrijgekomen in het puin en de bodem. Omdat de eigenaar niet in staat is op korte termijn zelf maatregelen te treffen past het college op verschillende momenten spoedeisende bestuursdwang toe. Het pand wordt goeddeels gesloopt en verontreinigde grond, puin en afval worden afgevoerd. Het college kiest hierbij voor een combinatie van de artikelen 1a Woningwet en 13 Wbb als grondslag. De totale kosten, bijna € 165.000,-, worden op de eigenaar als overtreder verhaald.

Met het college is de Afdeling van oordeel dat de eigenaar als overtreder van de zorgplichten uit artikel 1a Woning kan worden aangemerkt. Deze zorgplichten zien op het treffen van (voorlopige of definitieve) voorzieningen of maatregelen door onder meer de een eigenaar indien de staat of het gebruik van (i.c.) een pand een gevaar oplevert voor de gezondheid of veiligheid. Omdat hiervan overduidelijk sprake is kan de eigenaar als overtreder worden aangemerkt. Het college mocht de kosten vanwege deze overtredingen dus op de eigenaar verhalen.

Volgens de Afdeling kan de eigenaar echter niet als overtreder van de zorgplicht uit artikel 13 van de Wbb worden aangemerkt. Anders dan de Woningwet, gaat dit artikel voor het zijn van overtreder uit van toerekening (machtssfeer en aanvaarden) als handelingen door anderen zijn verricht. Op basis van de feitelijke situatie oordeelt de Afdeling dat de eigenaar niet tekort is geschoten in dat wat redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht. Hij was geen professionele verhuurder, controleerde regelmatig en zowel hem als het college waren geen signalen bekend. Omdat de eigenaar geen overtreder is van de Wbb, blijft het college met de kosten vanwege deze overtredingen zitten.

Alhoewel deze zaak speelde voor de Omgevingswet is deze uitspraak ook van belang indien nu tot (spoed)eisende bestuursdwang wordt overgegaan vanwege de ontmanteling van een drugslab. Immers, ook onder de Omgevingswet zal op grond van een (algemene of bijzondere) zorgplicht worden gehandhaafd.

 

Ook de Centrale Raad van Beroep is volledig ‘om’. In procedures waarin sprake is van een belang van minder dan € 1.000,- wordt bij een overschrijding van de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Bij een financieel belang van minder dan € 1.000,- en een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden zal de Centrale Raad voortaan beslissen naar bevind van zaken. De Centrale Raad kwam eerder al tot een dergelijk oordeel in zaken waarin het uitsluitend ging om toekenning van proceskosten, maar deze lijn ziet volgens een recente uitspraak nu ook op meer inhoudelijke geschilpunten.

Reden voor het volledig ‘omgaan’ van de Centrale Raad, is de constatering dat in toenemende mate procedures gevoerd worden over een relatief gering financieel belang in de hoop en verwachting een vergoeding van immateriële schade en een daaraan gekoppelde vergoeding van proceskosten te verkrijgen vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. Na deze vaststelling zoekt de Centrale Raad aansluiting bij (inmiddels) vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat bij een overschrijding van de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden een gering financieel belang een uitzondering kan vormen op de regel dat een persoon immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.

Wel maakt de Centrale Raad een uitdrukkelijk en niet onbelangrijk voorbehoud. De specifieke aard van zaken die spelen in het sociaal domein kunnen leiden tot situaties waarin wordt afgeweken van deze uitgangspunten en dus geen uitzondering wordt aangenomen.

Mijns inziens is dit een terechte nuancering. Enerzijds omdat voorstelbaar is dat een relatief gering bedrag toch een grote belasting vormt voor een persoon gelet op zijn of haar inkomenssituatie of anderszins kwetsbare positie. Anderzijds omdat – bijvoorbeeld waar het gaat om bijzondere bijstand voor bijzondere kosten of duuraanspraken – juist vanwege deze aard van de kosten sprake kan zijn van aan groot belang dan niet altijd alleen maar in geld valt uit te drukken.