Als op een perceel meerdere panden staan en in een van die panden wordt een handelshoeveelheid drugs aangetroffen, houdt dit niet automatisch in dat een burgemeester bevoegd is om beide panden te sluiten op grond van artikel 13b Opiumwet. Daartoe is vereist dat er een zodanige relatie bestaat tussen de onderscheiden (delen van) bouwwerken dat die als één geheel moeten worden beschouwd. Om te beoordelen of sprake is van een zodanige relatie, zijn de omstandigheden van het geval leidend.

Welke omstandigheden zijn dit dan? Of beide panden op een perceel staan en of dit een afgesloten perceel betreft, is volgens de Raad van State onvoldoende om deze relatie aan te nemen. Dit wordt anders als bijvoorbeeld sprake is van een verbinding tussen beide panden en een van de panden niet zelfstandig toegankelijk is. Ook is van belang of er andere omstandigheden zijn die wijzen op een functionele samenhang. Liggen in een schuur bijvoorbeeld materialen opgeslagen ten behoeve van een woning (of vice versa)? Tot slot is van belang of in beide panden drugs of daaraan gerelateerde goederen worden aangetroffen. Als van deze bijkomende omstandigheden geen sprake is, is geen sprake van functionele verbondenheid en strekt de bevoegdheid van de burgemeester zich niet uit over beide panden. De hoeveelheid drugs die is aangetroffen doet er dan niet meer toe. Die leidt immers niet tot de wel vereiste samenhang.

Naar deze toetsingsmaatstaf komt de Afdeling in een uitspraak van 22 januari 2025 tot het oordeel dat de burgemeester van Nuenen niet tot sluiting van een schuur en een woning op een perceel mocht overgaan. Omdat samenhang ontbrak, was de burgemeester uitsluitend bevoegd de schuur te sluiten nu daarin de drugs waren aangetroffen. De burgemeester kon wel in redelijkheid besluiten de schuur te sluiten, nu de gevolgen daarvan gering waren.

Indien een burgemeester op grond van de APV overgaat tot sluiting van een bedrijfspand om het gevaar van verstoring van de openbare orde weg te nemen en voor de toekomst te voorkomen, dient dit gevaar ten tijde van het sluitingsbesluit nog wel actueel te zijn.

Dat is niet meer het geval indien de huurder die het gevaar zou veroorzaken ten tijde van de feitelijke sluiting het bedrijfspand had verlaten en de verhuurder al een nieuwe huurder had gevonden. Onder die omstandigheden is volgens de Raad van State de overtreding ongedaan gemaakt, de kans op recidive weggenomen en was de openbare orde in zoverre hersteld. Met de rechtbank acht de Afdeling in de uitspraak van 15 januari 2025 een sluitingsbesluit dan niet langer noodzakelijk.

Of het bedrijfspand in een kwetsbare wijk ligt, zoals de burgemeester van Waalwijk in deze zaak stelde, doet daarmee niet meer ter zake. Dit geldt ook voor de signaalfunctie die van een sluitingsbesluit uitgaat. Immers, eerst dient te worden vastgesteld of de openbare orde nog in het geding is. Als dat niet het geval is struikelt een sluitingsbesluit reeds op dit punt.

Omdat het sluitingsbesluit van de burgemeester de eindstreep niet haalde, kwam ook de schadevergoeding vanwege het onrechtmatig bevonden sluitingsbesluit in hoger beroep aan bod. De discussie spitste zich hier met name toe op de vraag of voldoende schadebeperkend was gehandeld door de verhuurder en of hij – zoals de burgemeester lijkt te stellen – niet voor de muziek is uitgelopen door het beëindigen van de huurovereenkomst.

De Afdeling is hier duidelijk over. Het beëindigen van de huurovereenkomst moet redelijkerwijs aan de burgemeester worden toegerekend. Gelet op de aard van de bevoegdheid om een pand te sluiten en de omstandigheden van dit geval, kan de verhuurder volgens de Afdeling namelijk niet worden verweten dat hij heeft gehandeld, zoals hij heeft gedaan. Integendeel, de verhuurder heeft hiermee zelfs bijgedragen aan de doelen die de burgemeester met de (voorgenomen) sluiting beoogde. Namelijk het uit het pand halen van de overtreder, het daarmee ongedaan maken van de overtreding en het voorkomen van herhaling.

Kort en goed kan adequaat handelen door een verhuurder na een voorgenomen sluitingsbesluit dus van belang zijn voor het uiteindelijk te nemen besluit en voor een verzoek om schadevergoeding. Een sluitingsbesluit kan indien een verhuurder adequaat optreedt niet langer noodzakelijk zijn. De omgekeerde situatie kan uiteraard ook aan de orde zijn. Indien een verhuurder ook na een voorgenomen sluitingsbesluit niet optreedt en de zaak op zijn beloop laat, kan dit juist aanleiding zijn om een sluitingsbesluit noodzakelijk te achten.

In bezwaar wordt door het bestuursorgaan aan een bezwaarmaker gelegenheid geboden om te worden gehoord. Het horen kan zowel fysiek (op locatie of digitaal) als telefonisch plaatsvinden. Indien gekozen wordt voor telefonisch horen, dan dient dit wel met instemming van de bezwaarmaker plaats te vinden en dienen ook de nodige zorgvuldigheidseisen in acht te worden genomen.

In de eerste plaats dient de bezwaarmaker duidelijk te zijn dat het telefoongesprek ook daadwerkelijk een hoorzitting betreft. Het zonder voorafgaand bericht bellen met een bezwaarmaker en dit gesprek als een hoorzitting beschouwen valt dan ook niet te adviseren. Duidelijke communicatie met een bezwaarmaker voorafgaand aan een telefonische hoorzitting en waarin om instemming wordt verzocht en wordt uitgelegd wat het doel en de strekking van het gesprek zal zijn valt wel te adviseren.

In de tweede plaats dient tijdens de hoorzitting te worden geverifieerd of een bezwaarmaker de zitting kan volgen en ook begrijpt wat er wordt besproken. Zeker in situaties waarin sprake is van een kwetsbare doelgroep (het sociaal domein), vraagt dit extra aandacht. Als tijdens de zitting het beeld ontstaat dat een bezwaarmaker de zitting niet goed kan volgen, dan valt het te adviseren de zitting op dat moment te stoppen en een bezwaarmaker te wijzen op de mogelijkheid zich te laten bijstaan door een belangenbehartiger.

In de derde plaats valt het te adviseren om na de zitting een kort (concept)verslag van het telefonisch horen aan de bezwaarmaker te sturen. Dit om discussie te voorkomen over hetgeen telefonisch is uitgewisseld. Dat hoeft geen woordelijke weergave te zijn, volstaan kan worden met een zakelijke weergave van hetgeen is uitgewisseld tijdens de hoorzitting.

Dat deze zorgvuldigheidseisen geen loze letter zijn, volgt uit een uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 waarin onder meer de vraag centraal stond of de wijze waarop in bezwaar telefonisch was gehoord de toets der kritiek kon doorstaan. De Afdeling oordeelde dat dit niet het geval was, met name omdat tijdens de hoorzitting bleek dat de bezwaarmaker de zitting niet kon volgen vanwege concentratieproblemen en dit ook aangaf.

Uiteindelijk leidt dit gebrek niet tot een gegrondverklaring naar de inhoud toe, omdat in beroep en hoger beroep alsnog voldoende gelegenheid was geboden om de zaak toe te lichten. Niet aannemelijk was dat de appellant was benadeeld door de wijze waarop in bezwaar was gehoord.

Op dit oordeel valt wellicht wel wat af te dingen in deze zaak. Immers, in de bezwaarfase vindt een volledige heroverweging plaats en wordt ook de doelmatigheid en dus niet alleen de rechtmatigheid van een besluit beoordeeld. Dan is van belang dat op dat moment alle feiten en omstandigheden door een bezwaarmaker kunnen worden gepresenteerd. Uiteraard dient de eventuele benadeling indien deze gelegenheid niet (goed) is geboden wel van geval tot geval te worden beoordeeld.

Mag een woning gesloten worden als daar een handelshoeveelheid (cannabis)edibles wordt gevonden, die edibles THC bevatten maar onduidelijk is of het THC-gehalte meer dan 0,05 gram per edible is?

Het antwoord van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam is in de uitspraak van 19 november 2024 (publicatie: 4 december 2024) kort en bondig; ja dit mag. Uitgangspunt is namelijk dat THC een stof is die voorkomt op lijst I van de Opiumwet (harddrugs). Als wordt vastgesteld dat edibles THC bevatten, dan is dit het uitgangspunt en doet de hoeveelheid THC per edible er niet toe. THC als geheel is illegaal, en dit geldt dat ook voor een edible als die THC bevat. Nu ruim 4 kilo aan edibles in de woning was aangetroffen, was sprake van een handelshoeveelheid en was de burgemeester van de Gemeente Zwijndrecht bevoegd om tot sluiting over te gaan.

Ook overigens ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een sluiting onevenredig te achten. De burgemeester heeft geïnformeerd naar beschikbaarheid van alternatieve woonruimte, en die bleek voorhanden te zijn. Opvallend is dat de voorzieningenrechter verzoekers tot slot expliciet op de eigen verantwoordelijkheid vanwege de door hen gemaakte keuzes wijst. Dan is het niet aan de burgemeester om – bijvoorbeeld – vervangende woonruimte te bekostigen.

Als edibles worden aangetroffen, is het dus in de eerste plaats van belang dat deze worden onderzocht op de aanwezigheid van werkzame stoffen (bijvoorbeeld THC). Als deze stoffen worden aangetroffen en er is sprake van een handelshoeveelheid, dan is de bevoegdheid van de burgemeester om tot sluiting van een woning over te gaan gegeven. De exacte feiten en omstandigheden van het geval zullen vervolgens wel bepalend zijn of ook in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt. In dit geval was overduidelijk sprake van handel, maar voorstelbaar is dat als sprake is van een geringe overschrijding en/of aantoonbaar eigen gebruik dit tot een andere uitkomst zou kunnen leiden.

Uitgangspunt is dat eenieder zich in het contact met een bestuursorgaan mag laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Dit volgt uit artikel 2:1, tweede lid, van de Awb. Een bestuursorgaan mag indien deze bijstand wordt verleend in een bezwaarprocedure van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Dit geldt ook indien die gemachtigde een advocaat is. Anders dan artikel 8:24 van de Awb, is in artikel 2:1 geen uitzondering gemaakt voor advocaten.

Als de machtiging niet of niet tijdig wordt aangeleverd, dan kan een bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. Het vragen om een machtiging is echter niet verplicht, bijvoorbeeld in het geval het voor eenieder duidelijk kon zijn dat een persoon als gemachtigde optrad kan het vragen van een machtiging niet aan de orde zijn. Een voorbeeld van een dergelijke situatie volgt uit een uitspraak van het CBb, ECLI:NL:CBB:2023:121.

Daarnaast dient een machtiging ook inhoudelijk gezien te voldoen aan minimale eisen. De Afdeling heeft al vaker overwogen dat een in algemene bewoordingen geformuleerde machtiging tot het voeren van procedures en het in verband daarmee verrichten van alle noodzakelijke handelingen op zichzelf toelaatbaar is. Een machtiging dient echter wel voldoende specifiek te zijn om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen bepalen.

In een uitspraak van de Raad van State van 27 november 2024 lag een als volgt geformuleerde machtiging voor: “om zijn juridische belangen te behartigen in de ruimste zin des woord, in het bijzonder op grond van de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000.” Anders dan de gemeente Den Haag en de rechtbank, oordeelde de Afdeling dat deze machtiging voldoende specifiek was. Van contra indicaties, zoals een ruim tijdsverloop, misbruik van recht in procedures die op grond van deze machtiging zijn gevoerd of andere gewijzigde omstandigheden was voorts niet gebleken.

Ook volgt de Afdeling de rechtbank niet in het oordeel dat de omstandigheid dat de betreffende gemachtigde geen gebruik heeft gemaakt van de herstelmogelijkheid maakt dat hij geen beroep meer kan doen op de eerder overgelegde machtiging. Als er geen misverstand mogelijk is over de vraag of de machtiging geldig was, eindigt de geldigheid van de machtiging volgens de Afdeling niet door het enkele verzoek tot het overleggen daarvan.

De Afdeling toont zich dus terecht een stuk soepeler dan de gemeente en de rechtbank. Naast de door de Afdeling genoemde contra-indicaties is verder voorstelbaar dat ook indien een machtiging wordt gebruikt voor een groot aantal procedures waarin niet zozeer een rechtsprobleem van een persoon centraal staat maar de aanspraak op proceskosten van een gemachtigde, kritisch wordt gekeken naar de (omvang en het gebruik van de) machtiging.

De Raad van State deed 20 november 2024 uitspraak in een langlopende discussie over geluidsoverlast vanwege het gebruik van een speelterrein gelegen bij een basisschool. Door omwonenden was een handhavingsverzoek ingediend vanwege de door hen ervaren geluidsoverlast en dit verzoek werd uiteindelijk toegewezen. De onderwijsstichting onder wiens verantwoordelijkheid de basisschool viel diende de overtreding van de geluidsnormen uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit te beëindigen en beëindigd te houden door het treffen van een aantal concrete maatregelen.

In hoger beroep gaat de discussie met name over de vraag of bij het opleggen van de maatregelen rekening diende te worden gehouden met stemgeluid en of de maatregelen voldoende zijn.

De Afdeling komt tot het oordeel dat terecht geen rekening is gehouden met stemgeluid bij het opleggen van de maatregelen. Dat is alleen aan de orde als sprake is van een binnenterrein ex artikel 2.18, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit. Nu het speelterrein niet omsloten is en grenst aan openbaar terrein, is daar geen sprake van. De Afdeling oordeelt verder dat het Activiteitenbesluit de exceptieve (evenredigheids)toets op dit punt kan doorstaan. Indien deze beroepsgrond zou worden gevolgd, dan zou namelijk de situatie ontstaan dat een (zwaardere) overtreding zou worden aangenomen die niet voortvloeide uit het wettelijk voorschrift. Ook zou dit leiden tot de situatie dat meer maatregelen moesten worden genomen dan die op voorhand kenbaar uit de wet voortvloeiden. Het legaliteitsbeginsel uit artikel 5:4 van de Awb staat dan in de weg aan deze invulling van de evenredigheidstoets.

Hierna komt de Afdeling toe aan de vraag of de opgelegde maatregelen ver genoeg gaan en met name of zij de geluidsoverlast daadwerkelijk zullen verminderen. Twee maatregelen kunnen hierbij de toets der kritiek niet doorstaan. Het enkel instrueren van personeel om te waken dat anderen niet met een bal tegen houten palen schieten, is volgens de Afdeling onvoldoende om dit gedrag te voorkomen. Het alternatief – een pakket aan begroeiing – is eveneens niet voldoende. Dit alternatief is rechtsonzeker nu onduidelijk is wat hieronder wordt verstaan en of dit alternatief afdoende is. Dit geldt ook voor het plaatsen van een verbodsbord om het speelterrein in de avond- en nachturen te gebruiken. Het enkel plaatsen van een bord voorkomt niet dat daadwerkelijk van het terrein gebruik wordt gemaakt.

Uit de uitspraak van de Afdeling volgt – specifiek ten aanzien van de concrete maatregelen – dat (een poging tot) sturen op gedrag niet voldoende is indien geluidsoverlast dient te worden verminderd of voorkomen. Maatregelen dienen ongewenst gedrag daadwerkelijk te voorkomen. Denk hierbij aan het feitelijk afsluiten van een speelterrein na de schooluren, of het aanbrengen van kunststof padding op houten palen. Dergelijke maatregelen die gedrag daadwerkelijk voorkomen kunnen naar verwachting de toets der kritiek wel doorstaan.

De verplichting tot het opstellen van een RI&E en het actualiseren daarvan, staat los van de verplichting om deze RI&E te laten toetsen door een gecertificeerde arbodienst of één of meer gecertificeerde deskundigen. Immers, het opstellen en actualiseren van een RI&E is een verplichting die – ongeacht de externe toets – op de werkgever rust en die door de werkgever zelf ook kan plaatsvinden. Daarvoor is geen extern deskundige nodig.

Dat een werkgever ook voor het opstellen van een RI&E een extern deskundige heeft ingeschakeld die door drukte eerst (te) laat levert, maakt volgens de Raad van State in een uitspraak van 13 november 2024 dan ook niet dat de werkgever een verminderd verwijt treft. Ook overigens ziet de Raad van State geen reden om de aan de werkgever opgelegde boete te matigen. Weliswaar is de dertienwekentermijn ex artikel 5:51 van de Awb overschreden, maar dit is een termijn van orde en de overschrijding is van geringe aard. Van een lange periode van onzekerheid bij de werkgever of een boete zou worden opgelegd, is dan ook geen sprake.

Mocht de voorzitter van de Veiligheidsregio demonstraties van FDF met landbouwvoertuigen verbieden of was dit een te vergaande beperking? In een uitspraak van 6 november 2024 geeft de Raad van State antwoord op deze vraag.

Voordat de Afdeling toekomt aan de inhoud dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van procesbelang. De demonstratie waar het besluit betrekking had was al lang voorbij. De Afdeling neemt procesbelang aan omdat duidelijkheid over de vraag of beperkingen mogen worden opgelegd in het belang is voor alle betrokken partijen en FDF in de toekomst mogelijk weer zal demonstreren. De Afdeling kwam eerder in zaken van Occupy tot hetzelfde oordeel.

Nu sprake is van procesbelang komt de Afdeling aan de inhoud toe. Het betogingsrecht is neergelegd in de artikelen 11 EVRM en 9 Grondwet. Dit recht is echter niet onbeperkt. Uit artikel 11, tweede lid, EVRM volgt dat sprake moet zijn van een beperking bij wet die voldoende duidelijk is en voldoet aan nationaal recht. In Nederland mag een burgemeester op grond van de Wom beperkingen stellen. Dit mag alleen in het belang van de gezondheid, het verkeer en ter voorkoming van wanordelijkheden. In geval van (een ernstige vrees voor) een gemeente overstijgende ramp of crisis, kan deze bevoegdheid overgaan op de voorzitter van de Veiligheidsregio.

Volgens de Afdeling voldoen zowel de Wom als de WvR aan artikel 11 EVRM en bieden zij een grondslag voor de opgelegde beperking. Verder was sprake van een crisis als bedoeld in de WvR, namelijk een gezondheidscrisis vanwege het COVID-19 virus. Dit houdt in dat de gehele bevoegdheid uit de Wom overgaat en beperkingen niet alleen grondslag hoeven te vinden in de gezondheid. Daarbij hadden de demonstraties ook een bovenlokaal karakter.

De Afdeling beoordeelt vervolgens of de beperking berustte op belangen die volgen uit de Wom. Dit is het geval. Eerdere demonstraties met landbouwvoertuigen hadden geleid tot verkeerschaos en wanordelijkheden, niet alleen in de stad Groningen maar ook daarbuiten. Verder was het voor omstanders lastig de anderhalve meter afstandsmaatregel na te leven. De beperking diende dan alle belangen uit de Wom, namelijk de gezondheid, het verkeer en het voorkomen van wanordelijkheden. Tot slot was de beperking noodzakelijk. Een minder vergaande maatregel was niet mogelijk. Daarbij betrekt de Afdeling ook het onvoorspelbare karakter van de demonstraties omdat voorafgaande kennisgevingen ontbraken en geen contactpersonen bij FDF beschikbaar waren. De beperking was verder tijdelijk en raakte niet aan de kern van het betogingsrecht. Alle andere vormen van betoging bleven toegestaan.

De vraag komt op of anders was geoordeeld als FDF volledig inzicht had gegeven in plaats, aard en omvang van de betogingen. Dan was de voorzitter vooraf in staat geweest regie te voeren door middel van aanwijzingen en was een volledig verbod op landbouwvoertuigen wellicht te verstrekkend geweest.

Kantoorgenoten Remko Wijling en Laura Hinrichs schreven een bijdrage voor de vijfde editie van het Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving. In dit artikel wordt ingegaan op het verschil in benadering van het werkgeversbegrip uit de Arbeidsomstandighedenwet in het strafrecht en het bestuursrecht.

Een link naar het artikel is hier te vinden.

Kantoorgenoot Remko Wijling heeft een noot geschreven bij de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024. In die uitspraak kwam de rechtbank met een nieuwe beoordelingslijn bij Wht-beroepen niet-tijdig beslissen, waarmee zij afweek van de principiële uitspraak van de ABRvS van vorig jaar zomer. De nieuwe lijn van de rechtbank – die onder meer een langere nadere beslistermijn en een lagere rechterlijke dwangsom inhoudt – was ingegeven door de recente, forsere overschrijding van de beslistermijnen in bezwaar en de omstandigheid dat inmiddels herhaalde beroepen niet-tijdig beslissen binnenkomen. Begin oktober besloot rechtbank Gelderland eveneens af te wijken van de ABRvS: zij vindt – anders dan de rechtbank Rotterdam – een nadere beslistermijn van 81 weken na het indienen van het bezwaar aangewezen (zie de uitspraak van 1 oktober 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:6647). Daarna volgde rechtbank Overijssel (uitspraak van 10 oktober 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:5225), die wéér andere termijnen hanteert dan de hiervoor genoemde rechtbanken. De overige rechtbanken lijken vooralsnog de ABRvS-lijn te volgen, zoals Midden-Nederland (zie RSV 2024/192). Maar die rechtbank heeft wel weer een afwijkende benadering bij de proceskostenvergoeding.

Al met al zijn er momenteel landelijk dus veel verschillen op dit terrein. Een link naar de noot is hier te vinden.

Dat bij een aanslag met explosieven sprake is van een ruzie in of relatie tot het criminele milieu is achterhaald, zo volgt uit onderzoek van de politie. Steeds vaker worden explosies ingezet in ruzies tussen burgers onderling, waarbij het aantal explosies ook fors is toegenomen in 2023. Een verdubbeling in vergelijking met 2022.

Een reden voor deze toename is wellicht ook dat in reactie op een explosie, woningen en panden worden gesloten. Zo hanteert de burgemeester van Rotterdam het beleid dat i) een explosie altijd ernstig is en ii) in een ernstig geval panden altijd direct worden gesloten. Los van de vraag of een dergelijk beleid de evenredigheidstoets kan doorstaan, roept de verschuiving in de achterliggende oorzaken van een explosie – van criminaliteit naar ‘beslechting’ van ruzies – ook de vraag op of dit beleid niet aan een herijking toe is. Moet er niet meer aandacht zijn voor de achterliggende problematiek en de mogelijke oplossing daarvan? Immers, de openbare orde is niet in elk geval in gelijke mate ‘geschokt’ en daarbij past dus niet in elk geval een sluitingsreflex.

In gevallen waarin wel een relatie bestaat met het criminele milieu ligt het voorgaande uiteraard een stuk genuanceerder. Een sluiting kan dan wel het aangewezen instrument zijn, alhoewel ik betwijfel of de burgemeester van Rotterdam zal overgaan tot sluiting van het politiebureau in Hoek van Holland vanwege de explosie die daar heeft plaatsgevonden ofschoon op grond van haar eigen beleid in beginsel gesloten dient te worden.

Waar ligt de scheidslijn tussen gebruik van een pand voor woondoeleinden en logiesvertrekking? Dit is een vraag die regelmatig opkomt, bijvoorbeeld wanneer het gaat om huisvesting van arbeidsmigranten.

Als een gemeente in een dergelijk geval op grond van het bestemmingsplan (Omgevingsplan) aan wil schrijven op strijdig gebruik, dan is in de eerste plaats van belang wat onder woondoeleinden moet worden verstaan. Is dit begrip gedefinieerd in een bestemmingsplan (Omgevingsplan), dan is die definitie het uitgangspunt. Ontbreekt een definitie dan wordt teruggevallen op het normale spraakgebruik en moet het woordenboek erbij worden gepakt. Woondoeleinden betekent in dat geval ‘bedoeld voor wonen’. Onder ‘wonen’ worden verder diverse vormen van wonen verstaan. Dit is dus niet beperkt tot bewoning door een gezin, maar omvat ook kamerbewoning. Wel is een zekere duurzaamheid vereist, maar een verblijf van korter dan 6 maanden kan ook voldoende duurzaam zijn. De feitelijke situatie is in dit verband leidend. Als een college wenst aan te schrijven, dan is het dus noodzakelijk dat in ieder geval het kortdurend karakter van het verblijf aannemelijk wordt gemaakt.

In een uitspraak van 16 oktober 2024 deed de Afdeling uitspraak in een zaak waarin het college van Heerlen een last onder dwangsom had opgelegd vanwege strijdig gebruik van een pand. Het college stelde dat vanwege het verblijf van arbeidsmigranten sprake was van een logiesfunctie en niet van woondoeleinden. Het college had dit onderbouwd door te verwijzen naar de feitelijke situatie waarin twee personen die elkaar niet kennen op een kamer verblijven, de rol van het uitzendbureau dat de kamers ter beschikking stelde voor een verblijf van vier tot zes maanden en op enkele passages uit de huurovereenkomst waaruit zou volgen van gebruik als logies.

Deze onderbouwing kan de toets der kritiek van de Afdeling niet doorstaan. Kort en goed stelt de Afdeling dat de duurzaamheid van het verblijf centraal zou moeten staan en het feitelijk gebruik van het pand in dit verband. Of personen die een kamer delen elkaar kennen, of juist niet, is dan niet doorslaggevend. Dit geldt ook voor de rol van een werkgever of uitzendbureau. Ook dit zegt immers niets over de duurzaamheid van het verblijf. Wat wel iets zegt over het gebruik, is de aan- of afwezigheid van een receptie, maaltijdverstrekking en andere faciliteiten die kenmerkend zijn voor een logiesfunctie. Nu daar in dit geval geen sprake van was, was ook volgens de Afdeling sprake van kamerbewoning en niet van een logiesfunctie.

De feitelijke situatie en meer in het bijzonder of sprake is van een voldoende duurzaam verblijf is dus van groot belang. Voorafgaand aan een aanschrijving, dient deze situatie goed in kaart te worden gebracht. Had het college nog een andere grondslag kunnen inroepen? Wellicht wel, maar dit is afhankelijk van de vraag of bijvoorbeeld een huisvestingsverordening geldt.