Een burgemeester kan na een bijtincident een aanlijn en muilkorfgebod opleggen aan de eigenaar van een hond. Als dit gebod wordt overtreden kan de burgemeester op grond van de artikelen 5:29 en 5:30 Awb tot inbeslagname overgaan. Maar wat als de burgemeester vervolgens tot het herplaatsen of euthanaseren van een hond besluit? Is hij daartoe ook bevoegd op grond van de Awb?

Uitgangspunt is dat indien in een besluit tot inbeslagname wordt aangegeven wat er na de inbeslagname met een hond moet gebeuren, ook deze besluitonderdelen bij de bestuursrechter kunnen worden aangevochten. Voorheen oordeelde de Afdeling daarbij dat de burgemeester op grond van de artikelen 5:29 en 5:30 Awb een hond slechts tijdelijk in beslag mocht nemen. Dat impliceerde dat op grond van de Awb ook geen bevoegdheid bestond tot herplaatsen of euthanaseren.

In een uitspraak van 9 oktober 2024 nuanceert de Afdeling deze lijn. De Afdeling stelt vast dat de artikelen 5:29 en 5:30 Awb zien op zaken. Nu zijn dieren geen zaken, maar op grond van artikel 3:2a BW zijn bepalingen met betrekking tot zaken wel op dieren van toepassing. De begrenzing wordt daarbij gevormd door onder meer wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht. Specifiek in het geval van honden, wordt artikel 5:30 Awb beperkt door artikel 2.10 Wet dieren en artikel 1.9 Besluit houders van dieren. Volgens die bepalingen is het verboden honden te doden, tenzij sprake is van niet te corrigeren gevaarlijke gedragskenmerken. Als de burgemeester bevoegd is een hond in beslag te nemen op grond van artikel 5:30 Awb, houdt dit volgens de Afdeling in dat hij ook bevoegd is een hond te euthanaseren als die niet te corrigeren gevaarlijk gedrag vertoont.

Deze nieuwe lijn – want van een nuancering kan nauwelijks worden gesproken – is goed te volgen en voorkomt versnipperde rechtsbescherming. Wel dient uiteraard telkens de vraag te worden beantwoord of het gebruik van de bevoegdheid in het concrete geval noodzakelijk en evenredig is. In de concrete zaak leidt deze koerswijziging tot het oordeel dat de burgemeester van Wijchen de hond Buddy permanent in beslag mocht nemen en mag laten euthanaseren. Er hebben diverse bijtincidenten plaatsgevonden, een kort aanlijn en muilkorfgebod werd niet nagekomen en uit onderzoeken volgt dat Buddy een zeer groot risico vormt. Minder vergaande maatregelen zijn niet mogelijk en de kans op herhaling is groot met mogelijk ernstige gevolgen.

Wel is van belang dat deze uitspraak uitsluitend betrekking heeft op de inbeslagname van een gevaarlijke hond op grond van de Awb. Een burgemeester kan ook tot inbeslagname overgaan op grond van zijn lichte bevelsbevoegdheid ex artikel 172, lid 3, Gemeentewet. Volgens (tot nu toe) vaste rechtspraak van de Afdeling biedt dit artikel geen bevoegdheid voor een blijvende inbeslagname en het euthanaseren. In een dergelijk geval dient de discussie te worden voortgezet bij de civiele rechter.

Op 2 oktober 2024 deed de Afdeling uitspraak in een nadeelcompensatiezaak waarin niet zozeer de inhoud centraal stond, maar wel twee afzonderlijke ontvankelijkheidskwesties voorlagen. De Afdeling toont zich hierbij een stuk burgervriendelijker dan het betrokken bestuursorgaan, het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel.

Wat was er aan de hand? Een maatschap bestaande uit vijf maten dient een verzoek om nadeelcompensatie in. Dit verzoek wordt afgewezen omdat het causaal verband ontbreekt. De maatschap is het hier niet mee eens en komt in (hoger) beroep tegen deze afwijzing op. Het (hoger) beroep wordt ingediend door slechts een van de maten en dus niet door de maatschap. Het dagelijks bestuur maakt hier in beroep een punt van, maar dit wordt gepasseerd door de rechtbank ook omdat het dagelijks bestuur aangeeft een inhoudelijk oordeel te wensen. Opvallend genoeg neemt het dagelijks bestuur in hoger beroep wel weer het standpunt in dat het (hoger) beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet is ingediend door de maatschap.

De Afdeling overweegt dat sprake is van een misvatting door de maatschap, maar gaat terecht niet mee in het betoog van het dagelijks bestuur. Kort gezegd overweegt de Afdeling dat geen sprake is van professionele rechtsbijstand en er geen aanwijzing is dat er binnen de maatschap onenigheid bestaat over het (hoger) beroep. Ook bestaat bij het dagelijks bestuur geen onduidelijkheid over wie de procespartij is. Dat het dagelijks bestuur de ontvankelijkheidsdiscussie in hoger beroep toch weer voert getuigt volgens de Afdeling van excessief formalisme, ook omdat het dagelijks bestuur in beroep heeft aangegeven juist een inhoudelijk oordeel te willen.

Ook bij de beantwoording van de tijdigheid van het hoger beroep toont de Afdeling zich welwillend. Alhoewel niet ter discussie staat dat het hoger beroep te laat is ingediend, heeft de maatschap voldoende twijfel gezaaid over de regelmatige bezorging van een afhaalbericht door PostNL. Omdat de rechtbank pas na afloop van de hogerberoepstermijn de uitspraak opnieuw stuurt en de maatschap vervolgens binnen afzienbare tijd alsnog hoger beroep indient, is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Ook dit oordeel kan worden gevolgd, alhoewel het wel de vraag is hoe de Afdeling zou hebben geoordeeld als de rechtbank de uitspraak binnen de hoger beroepstermijn opnieuw zou hebben verzonden.

Helaas voor de maatschap wordt het hoger beroep naar de inhoud toe ongegrond verklaard. Omdat de gronden van de maatschap in hoger beroep in essentie een herhaling inhouden van de beroepsgronden, volstaat de Afdeling met een verwijzing naar de rechtbankuitspraak. De Afdeling voegt daaraan nog wel toe dat in het geval het causaal verband door het bestuursorgaan wordt betwist, dit door een verzoeker om nadeelcompensatie moet worden bewezen. Het enkel ingaan op de (on)juistheid van de betwisting door het bestuursorgaan is niet voldoende.

Met het wetsvoorstel Participatiewet in Balans wil de regering ook een meer evenredig maatregelenregime voor de Participatiewet (Pw), de IOAW en de IOAZ bewerkstelligen. Nu is het maatregelenbeleid voor gemeenten geregeld in de hiervoor genoemde wetten en in gemeentelijke verordeningen. De regering wil dit doel bereiken door de Pw, IOAW en IOAZ toe te voegen aan het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de hiervoor benodigde wijziging van het Maatregelenbesluit ter internetconsultatie aangeboden. Samen met Mark Husen heeft kantoorgenoot Remko Wijling hierop gereageerd.

Het voornemen van het kabinet om het Staatsnoodrecht toe te passen om een Asielcrisis uit te roepen heeft al de nodige pennen in beweging gezet. Deze plannen lijken namelijk op juridisch drijfzand te zijn gebaseerd. Kantoorgenoten Remko Wijling, Robert Crince le Roy en Ruben Nijk hebben een korte analyse gemaakt van de juridische hobbels die het kabinet zal moeten nemen wil tot toepassing van het Staatsnoodrecht kunnen worden overgegaan. Daarbij gaan wij ook in op de rechtsbescherming die in een dergelijk geval open staat. Wij verwachten namelijk de nodige procedures als het kabinet deze stap daadwerkelijk zet. De analyse is te lezen via deze link.

Als sprake is van een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en een boete wordt opgelegd, komt ook de vraag op of er redenen zijn om de boete te matigen. De Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving voorziet in een aantal specifiek gedefinieerde matigingsgronden, waaronder het (aantoonbaar) verrichten van inspanningen gericht op het voorkomen van een overtreding in het concrete geval. Van deze inspanningen is bijvoorbeeld sprake als adequaat toezicht is gehouden en dit kan leiden tot een matiging van het boetebedrag met 25%.

Maar wanneer is nu sprake van adequaat toezicht en wat mag in dit verband van een werkgever worden verwacht? Uit een uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2024 volgt dat het antwoord op deze vraag afhangt van de omstandigheden van het geval. Onder meer de aard van de werkzaamheden, de ervaring van de werknemer en zijn positie in het bedrijf zijn relevant. Voortdurend toezicht door of namens de werkgever wordt niet vereist. Het toezicht dat wel wordt gehouden, moet echter wel van dusdanige aard zijn dat dit – kort gezegd – effectief is. Werknemers moeten vanwege het toezicht worden gestimuleerd zich aan de veiligheidseisen te houden, aldus de Afdeling. Het is daarbij wel aan de werkgever om de toezichthouder van voldoende feiten en omstandigheden te voorzien zodat tot toepassing van een matigingsgrond kan worden overgegaan. De bewijslast dat daarvan sprake is rust immers op de werkgever als overtreder.

In de concrete uitspraak ging het voor de betrokkene met name mis op de effectiviteit van het toezicht. Weliswaar waren alle veiligheidsvoorzieningen aanwezig, maar de werknemers gebruikten deze voorzieningen niet ondanks dat zij hierop werden gewezen. Dan is sprake van een onvoldoende stimulans. Ook waren er geen aanwijzingen dat sprake was van een incidentele (hectische) situatie.

Uit deze uitspraak volgt maar weer eens dat het voor zowel de betrokken werkgever als voor de toezichthouder van belang is om de feiten en omstandigheden goed in kaart te brengen. Meer specifiek is het voor een werkgever van belang om – ongeacht de vraag of een ongeval heeft plaatsgevonden – zich altijd te vergewissen van de vraag of zijn toezicht voldoende adequaat is en voldoet aan de eisen die de Afdeling hieraan stelt.

Het boeteregime van de gemeente Amsterdam voor vakantieverhuur zoals dat is neergelegd in de Huisvestingsverordening levert bijna wekelijks een aantal interessante uitspraken op. Zo kwam de Afdeling in een uitspraak van 21 augustus 2024 (weer) tot het oordeel dat het boeteregime van de gemeente Amsterdam voor vakantieverhuur de evenredigheidstoets niet kan doorstaan.

Omdat het boeteregime uit de Huisvestingsverordening voorziet in tabellen met daarin de hoogte van de boete, is sprake van een situatie waarin de hoogte van de boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld. Uit artikel 5:46, derde lid, van de Awb volgt dan dat desondanks een lagere boete wordt opgelegd als de overtreder aannemelijk maakt dat deze wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Onder meer een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden.

Echter, ook het boeteregime zelf moet de evenredigheidstoets kunnen doorstaan en – anders dan bijvoorbeeld een uitspraak van enkele weken geleden (ECLI:NL:RVS:2024:2807) – wordt de Afdeling nu wel uitdrukkelijk gevraagd zich op dit punt uit te laten. Daartoe stelt de Afdeling eerst vast dat in uitspraken uit 2020 het voorheen geldende boeteregime als onevenredig is beoordeeld omdat het onvoldoende differentieerde. Destijds zijn door de Afdeling handvatten meegegeven voor een nieuw regime. Onder meer is gewezen op de ernst van de overtreding (particulier/bedrijfsmatig) en de dan benodigde differentiatie.

De Afdeling constateert dat maar beperkt opvolging is gegeven aan deze handvatten. Het nieuwe boeteregime differentieert met name naar type overtreding. De omstandigheden waaronder de overtreding zijn begaan spelen echter geen rol en het boetniveau is volgens de Afdeling hoog. Ook vergissingen door particulieren leiden dan standaard tot een hoge boete. Dit leidt tot het oordeel dat ook het nieuwe boeteregime de evenredigheidstoets niet kan doorstaan.

De raad van de gemeente Amsterdam mag dus opnieuw terug naar de tekentafel, waarbij de opdracht van de Afdeling duidelijk lijkt te zijn. Een nieuw boeteregime dient meer te differentiëren naar de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan door i) een duidelijker onderscheid te maken tussen bedrijfsmatige en particuliere verhuur en ii) meer te differentiëren naar de aard en omvang van de verhuur (bijvoorbeeld duur en aantal personen). Ook dient de raad nog eens kritisch naar de boetehoogtes te kijken en vraagt vooral het verschil tussen een eerste overtreding en recidive aandacht. Voorstelbaar is verder dat een aantal specifieke factoren wordt opgenomen dat tot verhoging of verlaging van de op te leggen boete leidt.

Voor de overtreder in kwestie leidt deze uitspraak tot een veel lagere boete en dus niet tot het geheel afzien van een boete. Immers, niet ter discussie staat dat een overtreding is begaan.

Kantoorgenoten Remko Wijling en Laura Hinrichs zullen tijdens het tweede congres Bestuursstrafrechtspleging, georganiseerd door de Utrecht Universiteit, een workshop verzorgen over de evenredigheidstoetsing in het bestuurlijke sanctierecht.

De inschrijvingen gaan vanaf september 2024 open.

Beperkt een standaardboete neergelegd in een wettelijke regeling de rechterlijke vrijheid om een dergelijke boete te toetsen? Over deze vraag boog de Afdeling zich in een uitspraak van 10 juli 2024 in een zaak waarin door het college van Amsterdam een bestuurlijke boete was opgelegd aan een huiseigenaar vanwege -kort gezegd – toeristische verhuur van de woning.

De rechtbank Amsterdam was tot het oordeel gekomen dat een boete die is gebaseerd op de boeteregeling uit de Huisvestingsverordening van de gemeente Amsterdam als een maximaal op te leggen boete moet worden gezien, en niet als een standaard op te leggen boete. Het opleggen van een standaardboete zou namelijk een beperking van het systeem van de rechterlijke vrijheid zijn. Alhoewel dit niet volgt uit de uitspraak van de Afdeling, doelde de rechtbank hierbij kennelijk op de mogelijkheid om te toetsen of de boetehoogte evenredig is. De boete werd ook vergaand gematigd door de rechtbank.

De Afdeling volgt de rechtbank niet. Onder verwijzing naar (vaste) rechtspraak, stelt de Afdeling vast dat ook een standaardboete in uit een systeem van wettelijk vastgestelde bestraffende sancties evenredig kan zijn, mits dit systeem zelf de evenredigheidstoets maar kan doorstaan. Een voorbeeld waarin een regeling deze toets niet kon doorstaan, betrof de Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2017. Deze beleidsregels differentieerden namelijk onvoldoende. In deze zaak stelt de Afdeling echter vast dat de rechtbank niet heeft geoordeeld dat de boetebepalingen uit de Huisvestingsverordening niet met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel tot stand zijn gekomen. Dan vormen deze bepalingen dus het uitgangspunt.

Uiteraard dient vervolgens in het concrete geval wel altijd een toetsing van de boetehoogte plaats te vinden ex artikel 5:46 van de Awb. Als de overtreder aannemelijk maakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden – verminderde verwijtbaarheid, ernst overtreding, financiële draagkracht – kan dit tot boetematiging leiden. Met het college is de Afdeling van oordeel dat hiervan niet is gebleken. Uiteindelijk leidt dit niet tot een hogere boete, omdat het college de boetehoogte zelf niet wilde betwisten. Het ging het college kennelijk vooral om de principiële vraag of de rechtbank het bij het juiste eind had.

Heeft de rechtbank toch niet een punt? In de uitspraak van de rechtbank ligt namelijk wellicht toch een evenredigheidsoordeel over de boetebepalingen zelf besloten. De Afdeling gaat op dit punt nu wel erg kort door de bocht. Dit ook gelet op de beperkt(ere) toets die inderdaad voortvloeit uit artikel 5:46, derde lid, van de Awb in het geval van een standaardboete.

Als sprake is van ernstige overlast en intimidatie in de woonomgeving kan een persoon in de gemeente Amsterdam worden opgenomen in de zogenoemde treiteraanpak. In een uitspraak van 3 juli 2024 is de Afdeling tot het oordeel gekomen dat de beslissing om iemand op te nemen in de treiteraanpak om redenen van rechtsbescherming met een besluit moet worden gelijkgesteld. De Afdeling nuanceert hierbij de eerdere lijn in de rechtspraak dat de mededeling dat iemand is opgenomen in de treiteraanpak geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Om tot dit oordeel te komen bespreekt de Afdeling eerst wat de treiteraanpak inhoudt en welke gevolgen dit voor iemand heeft. Kort en goed is de treiteraanpak een samenwerking van meerdere partners, waaronder de gemeente, de politie, jeugdzorg en woningbouwinstanties. Verder zijn de voorwaarden om iemand op te nemen in de treiteraanpak opgenomen in een Convenant. Voldoet een casus aan de voorwaarden uit het Convenant, dan wordt een kernteam gevormd. De partners in dat team maken een plan van aanpak en er kunnen acties worden ondernomen. Volgens de Afdeling moet hierbij onder meer worden gedacht buurtonderzoek, mondelinge waarschuwingen, mediation of een gebiedsverbod.

Deze werkwijze leidt volgens de Afdeling tot i) het verzamelen van informatie over een persoon, ii) grootschalige deling van deze informatie binnen de betrokken instanties waardoor iii) persoonsgegevens worden verwerkt. Een betrokkene kan zich in dit verband wel beroepen op de AVG en via een verzoek om verwijdering van zijn persoonsgegevens de rechtmatigheid van deze verwerking ter discussie stellen, maar dan heeft de verwerking al plaatsgevonden en is (mogelijk) sprake van onomkeerbare gevolgen. Het met een besluit gelijkstellen van de mededeling dat iemand is opgenomen in de treiteraanpak is dan noodzakelijk omwille van de rechtsbescherming, aldus de Afdeling.

Alhoewel zuiver juridisch gezien inderdaad sprake is van een nuancering van de eerdere rechtspraak, houdt de uitspraak van de Afdeling effectief gezien in dat – anders van voorheen – bezwaar en (hoger)beroep kan worden ingediend tegen een mededeling dat iemand is opgenomen in de treiteraanpak. Het rechtsbeschermingsoogpunt valt in dit verband goed te volgen en is ook eerder door de Afdeling gehanteerd in het kader van bijvoorbeeld de bestuurlijke waarschuwing.

Voor de appellant in kwestie leidt de beoordeling door de Afdeling inhoudelijk tot (bijna) niets. De opname in de treiteraanpak was terecht nu werd voldaan aan de voorwaarden uit het Convenant en dit voldoende volgde uit het dossier. De opschaling van de casus binnen de treiteraanpak was echter wel onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Op dit punt wordt het hoger beroep gegrond verklaard.

Voor een sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet is het niet noodzakelijk dat de woning daadwerkelijk is betreden en daarbij een handelshoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen. Ook als uit andere feiten en omstandigheden volgt dat het aannemelijk is dat er in de woning drugs werden verkocht, afgeleverd of verstrekt kan tot sluiting worden overgegaan. Dit is door de Afdeling (weer) bevestigd in een uitspraak van 26 juni 2024.

Aan welke feiten en omstandigheden moet dan worden gedacht, en hoe moeten die worden aangetoond? Uiteraard zal dit van geval tot geval verschillen, maar er kan onder meer worden gedacht aan de volgende feiten en omstandigheden:

– Is sprake van (vermoedelijk) druggerelateerde loop op de woning (kortstondige bezoeken)?
– Wanneer doet deze loop zich voor. Alleen overdag of ook in de avond en/of nacht?
– Staat de woning ook overigens bekend als ‘dealpand’? Volgt dit bijvoorbeeld uit verklaringen van buurtbewoners, of uit mutaties van de politie?
– Is de bewoner zelf bekend met (druggerelateerde) problematiek?
– Zijn personen gezien met druggerelateerde zaken bij het betreden van een woning of zijn deze zaken aangetroffen in een woning? Denk hierbij aan aluminiumfolie, verpakkingsmateriaal, pijpjes etc.

Deze feiten en omstandigheden dienen verder te worden neergelegd in (bij voorkeur) een bestuurlijke rapportage. Ook dient uit het besluit tot sluiting van de woning voldoende gemotiveerd te volgen waarom deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien leiden tot de conclusie dat in de woning drugs werden verkocht. Alhoewel dit niet volgt uit de uitspraak van de Afdeling zullen de gerapporteerde feiten en omstandigheden die leiden tot het aannemen van de sluitingsbevoegdheid, uiteraard ook in het kader van de noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de sluiting een rol spelen.

Is de broer van een inmiddels overleden kunstenaar belanghebbende bij een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor de (her)plaatsing van een kunstwerk van deze kunstenaar? De Afdeling kwam in een uitspraak van 25 juni 2024 tot het oordeel dat dit niet het geval is.

De uitspraak ziet op een omgevingsvergunning voor de verplaatsing van het kunstwerk “Water” van Leo van Oudheusden. Dat sierde de wanden van een zwembad in Rozenburg, maar dreigde verloren te gaan toen het zwembad werd gesloopt. Het college koos uiteindelijk voor een herplaatsing in de buitenlucht. De broer van de kunstenaar was het hier niet mee eens, omdat hij vreesde voor schade en kwam tot in hoger beroep op tegen de voor de herplaatsing verleende omgevingsvergunning.

Ook in hoger beroep dient eerst de vraag te worden beantwoord of de broer als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden beschouwd. De Afdeling beoordeelt hiertoe eerst of de broer rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt en reeds daarom belanghebbende is bij het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning. Daarvan is geen sprake. Het kunstwerk wordt herplaatst in Rotterdam en de broer woont in Maarssen. Ook zijn overige betrokkenheid bij het kunstwerk – zowel mentaal als beroepsmatig – maakt niet dat sprake is van belanghebbendheid. Alhoewel de Afdeling dit niet expliciet overweegt, is de Afdeling van oordeel dat in dit verband geen sprake is van een (voldoende) persoonlijk belang.

De broer stelt tot slot als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, omdat hij beschikt over persoonlijkheidsrechten die voortvloeien uit het auteursrecht van het kunstwerk. Dit standpunt vraagt meer aandacht. De bescherming tegen de aantasting van het auteursrecht en de daaruit voorvloeiende persoonlijkheidsrechten kan onder omstandigheden namelijk wel een voldoende objectief en persoonlijk belang vormen dat rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Met de rechtbank is de Afdeling echter van oordeel dat de broer het bestaan van deze persoonlijkheidsrechten niet aannemelijk heeft gemaakt. Hij heeft slechts een concept-levenstestament uit 2017 overgelegd, maar bijvoorbeeld geen testament of codicil waaruit volgt van deze persoonlijkheidsrechten. Had de broer deze stukken echter wel kunnen overleggen, dan was hij door de Afdeling mogelijk wel als belanghebbende aangemerkt.

Als – bijvoorbeeld – een sluitingsbesluit niet is gebaseerd op specifiek beleid, maar wel op een bestendige bestuurspraktijk, geldt als uitgangspunt dat de toepassing daarvan steeds moet worden gemotiveerd. Dit geldt ook indien een bestuursorgaan besluit af te wijken van deze bestendige bestuurspraktijk. Het is dan aan de bestuursrechter om te onderzoeken of de motivering van die afwijking voldoende is gemotiveerd.

In een uitspraak van 19 juni 2024 buigt de Afdeling zich over een sluiting van een pand door de burgemeester van Rotterdam op grond van artikel 2.35 van de APV van de gemeente Rotterdam. Op grond van dit artikel kan een pand – niet zijnde een woning – worden gesloten op grond van de openbare orde, overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat. Voor de toepassing van deze bevoegdheid gold ten tijde van dit besluit nog geen ‘eigen’ beleid, maar werd aansluiting gezocht bij het handhavingsarrangement uit de Horecanota. Dit was een vaste bestuurspraktijk, en ook uit de eigen praktijk zijn de nodige voorbeelden bekend waarin de burgemeester op deze wijze een sluiting motiveerde. In dit concrete geval was de burgemeester echter afgeweken van zijn bestendige bestuurspraktijk door tot een sluiting voor onbepaalde tijd over te gaan en was dit niet uitdrukkelijk maar slechts impliciet gemotiveerd.

Dit kan – terecht – de toets der kritiek van de Afdeling niet doorstaan. Een dergelijke afwijking vraagt om een uitgebreide motivering, waarin ook wordt blijkgegeven van een weging van alle betrokken belangen. Opvallend is dat de rechtbank Rotterdam tot hetzelfde oordeel was gekomen en de burgemeester zelfs een herstelmogelijkheid had geboden. De vraag komt op waarom niet simpelweg van deze herstelmogelijkheid gebruik is gemaakt door de impliciete motivering om te zetten naar een uitdrukkelijke motivering. Gelet op de vaste rechtspraak van de Afdeling, lijkt de weigering door de burgemeester tegen beter weten in te zijn geweest.