Eenieder kan zich ter behartiging van zijn of haar belangen in het verkeer met een bestuursorgaan laten bijstaan of vertegenwoordigen door een gemachtigde. Als er echter ernstige bezwaren tegen een gemachtigde bestaan, kan het bestuursorgaan deze bijstand of vertegenwoordiging weigeren op grond van artikel 2:2 van de Awb. Deze weigering moet dan wel op schrift worden gesteld en kan niet zien op advocaten, maar dus wel op andere (professionele) gemachtigden.

Voor de bestuursrechter geldt een – ongeveer – overeenkomende bepaling ex artikel 8:25 van de Awb, met dien verstande dat een weigering door de bestuursrechter alleen kan zien op de voorliggende procedure. Een weigering door een bestuursorgaan kan ruimer zijn dan alleen een procedure, en zien op al het verkeer met dat bestuursorgaan.

Wanneer kan worden gesproken van ernstige bezwaren? Uit de rechtspraak volgt dat hiervan sprake kan zijn bij ernstige en herhaalde misdragingen door gemachtigden en die – kort en goed – de normale gang van zaken verstoren. Verder kan een onherroepelijke (strafrechtelijke) veroordeling een ernstig bezwaar opleveren, al moet die wel relevant zijn. Een voorbeeld uit de rechtspraak is de weigering door de Belastingdienst van een gemachtigde die was veroordeeld voor belastingfraude.

Indien (stelselmatig) misbruik van recht wordt gemaakt door een gemachtigde, kan ook dit een ernstig bezwaar opleveren. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2018:1587, AB 2018/291 of de conclusie van AG Wattel, ECLI:NL:PHR:2023:1044. De AG geeft in deze conclusie zelfs in overweging om de betreffende gemachtigde te veroordelen in de kosten van de procedure vanwege misbruik van recht.

In een uitspraak van 12 juni 2024 komt de Afdeling tot het oordeel dat een ernstig bezwaar ook kunnen worden aangenomen indien het een gemachtigde bij wet verboden is als gemachtigde in een procedure op te treden. Meer specifiek betrof het in dit geval een raadslid van de gemeente Waalwijk dat in een procedure tegen dezelfde gemeente als gemachtigde van een sportvereniging optrad. Dit is op grond van artikel 15, tweede lid, van de Gemeentewet een verboden handeling. Ernstige bezwaren zijn dus ruimer dan – uitsluitend – het (proces)gedrag van een gemachtigde, maar kunnen ook zien op de vraag of het een persoon überhaupt toegestaan als gemachtigde op te treden.

Opvallend detail in deze zaak is nog dat het besluit tot weigering van de gemachtigde was genomen door de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Waalwijk, en niet door het de burgemeester. De bezwaarschriftencommissie was dan ook het in (hoger) beroep betrokken bestuursorgaan.

Wanneer is sprake van geluidshinder die aangemerkt kan worden als ernstige en herhaalde hinder en kan een gedragsaanwijzing vanwege woonoverlast worden opgelegd?

Uit een uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2024 volgt dat bij in een woning gemeten geluidsniveaus van 65 tot 78 decibel door de muren heen gesproken kan worden van ernstige geluidshinder. Dit mede gezien het tijdstip waarop de geluiden (gebonk of geklap) zijn gemeten, namelijk in de periode tussen 23.00 tot 7.00 uur.

Omdat deze geluidsniveaus zich tien keer voordeden over een periode van vijf dagen, kan volgens de Afdeling ook worden gesproken van ernstige en herhaalde geluidshinder als bedoeld in artikel 2:79 van de APV van de gemeente Dordrecht (dat is gebaseerd op artikel 151d van de Gemeentewet). Dat sprake zou zijn van normale leefgeluiden acht de Afdeling niet aannemelijk gelet op het tijdstip en het gemeten geluidsniveau. Een door de burgemeester van Dordrecht opgelegde gedragsaanwijzing woonoverlast kan dan ook standhouden volgens de Afdeling.

Alhoewel dit niet direct volgt uit de uitspraak zelf, lijkt de burgemeester aansluiting te hebben gezocht bij richtlijnen die zijn gesteld voor geluidsniveaus in woningen. Die vormen een goede basis en zijn in deze zaak (ver) overschreden. Wel is en blijft van belang dat de geluidsoverlast zo veel als mogelijk objectief wordt vastgesteld, bijvoorbeeld door inzet van een decibelmeter.

Een bouwwerk kan alleen een bijbehorend bouwwerk zijn, als op het perceel ook een hoofdgebouw aanwezig is. Dit volgt uit de begripsomschrijving van ‘bijbehorend bouwwerk’ zoals neergelegd in artikel 1 van bijlage II van het Bor. Om als hoofdgebouw in de zin van artikel 1 van bijlage II van het Bor te kunnen worden aangemerkt, moet het gebouw noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de (huidige of toekomstige) bestemming van het perceel.

Indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, is van belang welk gebouw gelet op de op het perceel rustende bestemming het belangrijkst is. Bij een woonbestemming zal dit bijvoorbeeld de woning of het woongebouw zijn. Een gebouw is niet noodzakelijk voor de verwezenlijking van de (huidige of toekomstige) bestemming, indien het gebouw dient ten behoeve van het gebruik van omliggende gronden.

In een discussie tussen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk over – kort gezegd – handhavingsperikelen rondom een volkstuincomplex, komt de Afdeling in een uitspraak van 5 juni 2024 tot het oordeel dat een hoofdgebouw ontbreekt. Dan kan dus ook geen sprake zijn van bijbehorende bouwwerken. Een algemeen gebouw – dat door de rechtbank nog als hoofdgebouw was gekwalificeerd – staat volgens de Afdeling ten dienste van het gebruik van de omliggende gronden als volkstuinencomplex. De gronden zijn, omgekeerd, niet ingericht ten dienste van het gebruik van het gebouw. Nu het gebouw kennelijk vooral was ingericht voor administratieve doeleinden en materiaalopslag, valt dit oordeel van de Afdeling goed te volgen.

Ook overigens is deze uitspraak van de Afdeling het signaleren waard, nu de Afdeling in navolging van de uitspraken van de CRvB van 2 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:635 en ECLI:NL:CRVB:2024:636) voortaan als uitgangspunt hanteert dat het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang oplevert. Op dit uitgangspunt wordt een uitzondering aangenomen indien het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. Wel beperkt de toets zich dan (in beginsel) tot de gegeven beslissing over de bezwaarkosten als zodanig.

Niet alleen een natuurlijk persoon maar ook een rechtspersoon kan een verzoek om handhavend optreden doen. Voor beiden geldt dat zij wel belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb moeten zijn bij het verzoek om handhaving. Voor het antwoord op de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

Naar deze maatstaf diende de Afdeling in de uitspraak van 15 mei 2024 de vraag te beantwoorden of de Stichting Farmers Defence Force en de gelijknamige Vereniging belanghebbende waren bij een verzoek om handhavend optreden gericht tegen een distributiecentrum van Jumbo. Dit distributiecentrum zou zonder natuurvergunning worden geëxploiteerd en dit zou een overtreding zijn van de Wet natuurbescherming.

De Afdeling stelt eerst vast wat de statutaire doelstellingen van de Stichting en Vereniging zijn. Kort en goed beogen beiden de collectieve belangen van de agrarische sector te behartigen. De Afdeling oordeelt vervolgens dat dit belangen zijn die niet rechtstreeks betrokken zijn bij een verzoek om handhavend optreden op grond van de Wet natuurbescherming. De collectieve belangen die door de Stichting en Vereniging in het bijzonder behartigen, zijn namelijk niet (primair) gericht op natuurbeheer of natuurbescherming. Daarbij vallen de belangen die zij wel behartigen, die van de agrarische sector, niet zonder meer gelijk met natuurbeschermingsbelangen. Een beroep op de artikelen 8 en 12 van het EVRM kan de Stichting en de Vereniging niet redden. Wederom behartigen beiden geen belangen als bedoeld in artikel 8 EVRM (family life) en geldt artikel 1:2 van de Awb voor elke rechtspersoon.

Ook de natuurlijke persoon kwalificeert niet als belanghebbende. Hij of zij woont op ruim 26 kilometer van de activiteit waarop het verzoek om handhaving ziet, zodat geen sprake is van feitelijke gevolgen van enige betekenis vanwege de activiteit. Omdat er geen gevolgen van enige betekenis worden ondervonden is hiermee ook gegeven dat geen sprake is van een schending van artikel 8 EVRM.

Op zichzelf is deze uitspraak van de Afdeling goed navolgbaar. Punt van aandacht is dat in dit specifieke geval er wel iets te zeggen valt voor het standpunt dat de belangen van de Stichting en de Vereniging samenvallen en of gelijk zijn aan de natuurbeschermingsbelangen. Dat dit in deze zaak niet genoeg is om als belanghebbende te kwalificeren had wellicht iets meer aandacht mogen krijgen.

Tot welk moment kan een bestuursorgaan bij een bestuursrechtelijk boetebesluit dragend bewijs van een overtreding leveren? Over deze vraag heeft de Afdeling zich in een uitspraak van 29 mei 2024 uitgelaten.

Uitgangspunt is volgens de Afdeling dat dragend bewijs uiterlijk bij de voltooiing van de bestuurlijke besluitvorming wordt geleverd. Met dragend bewijs wordt daarbij gedoeld op het bewijs dat het bestuursorgaan in redelijkheid reeds in het stadium van de bestuurlijke besluitvorming aan de boeteoplegging ten grondslag had kunnen en moeten leggen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan rapportages, foto’s en verklaringen van bijvoorbeeld toezichthouders.

Het inbrengen van nader bewijs is echter niet categorisch uitgesloten. Het antwoord op de vraag of dit nog is toegelaten wordt volgens de Afdeling in het bijzonder beheerst door de goede procesorde, en wat in dit verband redelijkerwijs van het bestuursorgaan mocht worden verwacht. Strijd met de goede procesorde wordt in ieder geval aangenomen als nader bewijs wordt ingebracht door het bestuursorgaan, zonder dat daarvoor een goede reden wordt gegeven. Als het bestuursorgaan echter bij de voltooiing van de besluitvorming wel dat bewijs ten grondslag heeft gelegd waarover het redelijkerwijs heeft kunnen beschikken en de discussie in (hoger) beroep aanleiding geeft tot het inbrengen van nieuw bewijs, zal de goede procesorde zich daartegen in de regel niet verzetten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een nadere verklaring van een toezichthouder in reactie op een betwisting door een appellant.

In deze zaak komt de Afdeling met appellant tot het oordeel dat het nadere bewijs niet toelaatbaar is. Het gaat namelijk om stukken die het college al (veel) eerder had kunnen overleggen, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam ook geen goede reden heeft gegeven waarom dit niet eerder is gebeurd. Het baat appellant verder echter niet, omdat uit het reeds aanwezige bewijs voldoende volgde dat sprake was van een overtreding.

Mag een bestuursorgaan na een vrijspraak door de strafrechter op basis van hetzelfde feitencomplex en dezelfde overtreding nog een herstelsanctie opleggen? Of leidt dit tot een schending van de onschuldpresumptie uit artikel 6 EVRM? In een uitspraak van 8 mei 2024 boog de Afdeling zich over deze vraag.

De burgemeester van Zwolle had een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege een overtreding van artikel 11a Opiumwet. Kort en goed diende een onderneming te stoppen met het handelen in goederen die bestemd waren voor de strafbare productie van drugs. Vanwege ditzelfde feitencomplex diende de onderneming zich ook te verantwoorden voor de strafrechter. Dit leidde tot een vrijspraak. De strafrechter achtte niet bewezen dat de aangetroffen goederen geschikt waren voor grootschalige en professionele hennepteelt.

In hoger beroep lijkt uitsluitend de vraag centraal te staan of de burgemeester heeft gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie uit het EVRM. De onderneming stelt dat dit het geval is en wijst daarbij op de vrijspraak dor de strafrechter.

De Afdeling begint met het formuleren van de hoofdregel. Kort gezegd kan de werking van artikel 6 EVRM zich ook uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure indien de geschilpunten in die procedure voortvloeien uit en samenhangen met een strafrechtelijke procedure. Samenhang alleen is echter niet genoeg. Bestuursrechtelijk gezien mag, wederom kort gezegd, nog steeds tot een ander oordeel worden gekomen mits geen twijfel ontstaat over de juistheid van de eerdere vrijspraak.

De Afdeling vervolgens vast dat sprake is van samenhang, maar ook dat geen sprake is van strijd met artikel 6 EVRM. De burgemeester had aan zijn besluitvorming namelijk andere informatie ten grondslag gelegd. Uit die informatie volgde van de geschiktheid van de aangetroffen goederen voor grootschalige en professionele hennepteelt en vanwege het ontbreken van juist deze onderbouwing was de strafrechter tot vrijspraak gekomen. Het bestuursrecht kan volgens de Afdeling dan bestaan naast het strafrecht.

De vraag komt wel op of de Afdeling anders zou hebben geoordeeld op het moment dat de burgemeester over exact dezelfde informatie beschikte als de strafrechter. Een voorzichtige inschatting is dat de Afdeling mogelijk tot het oordeel was gekomen dat sprake was van strijd met artikel 6 EVRM. Immers, op basis van dezelfde informatie zou dan de nodige twijfel worden gezaaid over een vrijspraak.

Verder ging het in deze uitspraak alleen over de ‘afgeleide’ bescherming ex artikel 6 EVRM. Zoals kantoorgenoot Frank van Ardenne eerder opmerkte, heeft het HvJ EU een arrest gewezen (ECLI:EU:C:2023:371) dat potentieel verstrekkende gevolgen heeft voor de vraag of een herstelmaatregel niet direct als een punitieve sanctie moet worden gekwalificeerd. Alhoewel het aan de nationale rechter is en blijft om deze beoordeling te maken, wijst dit arrest wel op een bepaalde (denk)richting.

Op 24 april 2024 deed de Afdeling uitspraak in een aantal zaken waarin het college van Zandvoort aan een zestal eigenaren zowel lasten onder dwangsom had opgelegd vanwege strijdig gebruik van appartementen, als bestuurlijke boetes had opgelegd vanwege onttrekking van woonruimte aan de bestemming. De Afdeling komt tot het oordeel dat de besluiten geen stand kunnen houden.

Hoe komt de Afdeling tot dit oordeel en wat valt op?
Ten aanzien van de lasten onder dwangsom, is van belang dat slechts handhavend kan worden opgetreden met een last onder dwangsom als een overtreder het ook feitelijk en juridisch in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen. Door de eigenaren was aangevoerd dat slechts een beperkt aantal eigenaren feitelijke beschikkingsmacht had over alle appartementen. Zij wezen op een eigendomsoverdracht van kort na de primaire besluiten en de feitelijke splitsing in nieuwe appartementen die had plaatsgevonden vooruitlopend op de overdracht. Dit alles was door een beperkt aantal eigenaren gedaan. De Afdeling gaat mee met dit betoog en stelt voorop dat de feiten en omstandigheden ten tijde van de primaire besluitvorming het vertrekpunt vormen en dat de eigendomsoverdracht dateert van daarna. Echter, gelet op de geschetste feitelijke situatie en bij gebreke aan een onderbouwd verweer van het college, acht de Afdeling het aannemelijk dat slechts een beperkt aantal eigenaren feitelijke beschikkingsmacht had.

Ten aanzien van de bestuurlijke boetes, komt de Afdeling tot het oordeel dat artikel 15 van de Huisvestingsverordening van Zandvoort de exceptieve toets der kritiek niet kan doorstaan. Daarmee valt de basis onder de boetes weg. De Afdeling stelt eerst vast dat in artikel 15 van de verordening om de juiste redenen woonruimte als vergunningplichtig is aangewezen. De aanwijzing werd noodzakelijk geacht voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten vanwege schaarste van goedkope woonruimte als bedoeld in artikel 2 van de HW. Ook mag een aanwijzing betrekking hebben op het gehele grondgebied van een gemeente. Echter, schaarste moet wel goed worden onderbouwd. Schaarste in Zandvoort is daarbij geen feit van algemene bekendheid. De onderzoeken die ten grondslag waren gelegd aan de verordening voldeden verder ook niet omdat actuele informatie ontbrak over onder meer woningtypes en prijssegmenten.

Alhoewel de onderbouwing niet voldoet, verklaart de Afdeling artikel 15 van de verordening niet onverbindend. De Afdeling overweegt dat dit een te vergaand gevolg is omdat de enkele strijd met formele beginselen (3:2 of 3:46 van de Awb) niet kan leiden tot het onverbindend achten van een algemeen verbindend voorschrift. Wel laat de Afdeling artikel 15 van de verordening buiten toepassing omdat vanwege een ontoereikende motivering niet kan worden beoordeeld of dit artikel 15 verenigbaar is met de hogere wet- en regelgeving (de HW).

Voortaan legt de Centrale Raad van Beroep het begrip dringende redenen ruimer uit. Zowel de oorzaak als de gevolgen van een herziening en terugvordering spelen een rol bij de te maken belangenafweging net als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De uitkomst van deze weging mag niet onevenredig zijn waarbij de bestuursrechter deze uitkomst intensief toetst. De CRvB volgt in deze uitspraak van 18 april 2024 goeddeels de conclusie van de AG.

Hoe komt de CRvB tot dit oordeel?
De CRvB stelt eerst vast wat de huidige praktijk is. Kort en goed is sprake van verplichte herziening en terugvordering, behoudens dringende redenen. Buitenwettelijk begunstigend beleid over de verplichte herziening wordt terughoudend getoetst. Naar de maatschappelijke opvattingen van destijds worden dringende redenen verder terughoudend uitgelegd.

Met de AG is de CRvB van oordeel dat sprake is van gewijzigde maatschappelijke inzichten die zich niet langer verhouden met deze restrictieve uitleg en toetsing. De CRvB volgt de AG echter niet in het standpunt dat een impliciete bevoegdheid of beslissingsruimte volgt uit de formulering van herzieningsbepalingen in sociaalzekerheidswetten. De wetgever heeft niet bedoeld om ruimte te bieden voor het gedeeltelijk afzien van een terugvordering. De CRvB ziet wel ruimte in de uitleg van de dringende redenen. Die worden voortaan als een open norm gezien waarbinnen een belangenafweging moet worden gemaakt. Voor die weging gelden de volgende uitgangspunten.

Zowel de gevolgen als de oorzaak van een herziening en terugvordering zijn van belang. Is het aan de uitkeringsinstantie te wijten dat een vordering is ontstaan of ook aan de betrokkene? De gevolgen van een herziening en terugvordering worden wel beperkt door regels over kwijtschelding. Als op voorhand duidelijk is dat zich ernstige gevolgen voordoen dan moet dit wel worden gewogen.

Een uitkeringsinstantie kan bij beleidsregel invulling geven aan dringende redenen. Wel dient in een concreet geval te worden getoetst aan artikel 4:84 van de Awb of sprake is van bijzondere omstandigheden. Dringende redenen hebben verder bij herziening en terugvordering dezelfde inhoud.

Tot slot is het aan de betrokkene om dringende redenen te stellen en te onderbouwen, aan de uitkeringsinstantie om deze te toetsen en een belangenafweging te maken die geen onevenredige uitkomst mag hebben en is het aan de rechter om dit intensief te toetsen.

Voor de praktijk houdt dit voor rechters en uitkeringsinstanties een andere wijze van toetsing in en zal bestaand beleid moeten worden heroverwogen. Voor betrokkenen blijft het nodig om de uitkeringsinstantie en de rechter te voeden met dringende redenen. Of de uitkomst van een weging voortaan wezenlijk anders zal zijn moet wel worden afgewacht. Zoals Mark Husen en ik signaleerden is het echte probleem namelijk de verplichte herziening en terugvordering en de onvoorwaardelijke inlichtingenplicht. Dit alles blijft ongewijzigd.

Met het Lachgasbesluit is per 1 januari 2023 lachgas opgenomen in lijst II van de Opiumwet. Dit houdt in dat een (handels)hoeveelheid lachgas tot sluiting van een pand kan leiden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Gepubliceerde rechtspraak over dergelijke sluitingen is nog zeldzaam en dus is de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2024 (gepubliceerd op 11 april 2024) het signaleren waard.

De burgemeester van Rotterdam was tot sluiting van een supermarkt overgegaan omdat – kort gezegd – een netto hoeveelheid van 2225,7 gram lachgas was aangetroffen in ampullen (patronen) en in tanks. Ook waren enkele andere stoffen aangetroffen, zoals ‘snuff’ en strips met (viagra)pillen.

De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of de burgemeester bevoegd was tot een sluiting over te gaan. Dat is – specifiek in het geval van lachgas – het geval als een handelshoeveelheid is aangetroffen en als het lachgas niet bestemd is voor technische doeleinden of als voedingsadditief. Enkele detaillisten (met specifieke SBI-codes) zijn uitgezonderd van de verboden handelingen met lachgas. Deze detaillisten zijn (vaak) in de praktijk de bedrijven die lachgas toepassen zoals het oorspronkelijk was bedoeld. Wel gelden dan extra regels, zoals het uit het zicht leggen van lachgas.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de betreffende supermarkt niet valt onder deze SBI-codes. Los daarvan lagen de lachgasampullen in het zicht en werd daarmee niet voldaan aan de extra regels die gelden. Ook was de eigenaar van de supermarkt al eerder gewaarschuwd vanwege de verkoop van lachgas. Kort en goed acht de voorzieningenrechter het op grond van de concrete feiten en omstandigheden van het geval niet aannemelijk dat het aanwezige lachgas bestemd was voor een legale toepassing. De burgemeester was dus bevoegd tot sluiting over te gaan.

De sluiting van de supermarkt viel verder zowel noodzakelijk als evenwichtig te noemen. Lachgas levert een risico op voor de volksgezondheid, en aannemelijk was dat het werd verkocht vanuit de supermarkt. Daarbij was de supermarkt in een kwetsbare wijk gelegen met scholen in de buurt en kent de voorzieningenrechter belang toe aan de eerdere waarschuwing en de overige middelen die waren aangetroffen.

Een goede rapportage waaruit volgt dat het niet aannemelijk is dat aangetroffen lachgas bestemd is voor een legale toepassing, is dus van groot belang. Bij concrete feiten en omstandigheden die deze conclusie ondersteunen moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de hoeveelheid, de verpakking, plaats waar het is aangetroffen en het soort winkel of pand. Past de verkoop van lachgas in het assortiment of in de bedrijfsvoering.

Een aanvraag moet voldoende gegevens bevatten voor het bestuursorgaan om die aanvraag te kunnen beoordelen. Is dat niet het geval, dan krijgt de aanvrager een herstelmogelijkheid om tegen een bepaalde termijn de ontbrekende gegevens alsnog aan te leveren. Voldoet de aanvrager niet of niet volledig aan die hersteltermijn, dan kan het bestuursorgaan besluiten om zijn aanvraag niet te behandelen.

Tegen een besluit tot het niet behandelen van een aanvraag kan in beginsel alleen de aanvrager zelf opkomen. Indien echter sprake is van een derde die in een aan een zakelijk of fundamenteel recht ontleend zelfstandig belang wordt geraakt, kan ook die derde opkomen tegen het besluit tot het niet behandelen van een aanvraag. Uit een uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 volgt dat deze uitzondering aan de orde is in de situatie waarin de aanvrager om een omgevingsvergunning geen eigenaar is van het pand waarop de omgevingsvergunning ziet. In een dergelijk geval kan ook de eigenaar van het pand in rechte opkomen tegen een besluit tot het niet behandelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit besluit raakt hem namelijk in een fundamenteel recht, het eigendomsrecht.
Meer inhoudelijk gezien ging de discussie over een tweetal (rechts)vragen. De eerste (rechts)vraag was of het college van Tilburg in strijd met het verbod op détournement de pouvoir had gehandeld door de bevoegdheid tot het buiten behandeling stellen van een aanvraag aan te wenden voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Het college zou volgens de betrokkene namelijk – uitsluitend – hebben willen voorkomen dat een omgevingsvergunning van rechtswege zou ontstaan. De Afdeling gaat hier niet in mee. Zelfs indien sprake was van tijdsdruk kon het college tot het buiten behandeling stellen van een aanvraag overgaan indien – ook na een hersteltermijn – nog steeds onvoldoende gegevens beschikbaar waren om de aanvraag te beoordelen.

De tweede (rechts)vraag was of het college voldoende inzichtelijk had gemaakt welke essentiële gegevens nog ontbraken voor het beoordelen van de aanvraag. Voor een aanvrager dient namelijk wel duidelijk te zijn welke gegevens nog nodig zijn om een aanvraag te (kunnen) beoordelen. Hier ging het voor het (ook) in hoger beroep mis. Alhoewel na de beroepsprocedure een nieuw besluit was genomen, kon het college nog steeds niet aangegeven op welke punten bouwtekeningen tegenstrijdig waren en bleef onduidelijk of brandpreventieve voorzieningen ontbraken. Deze voorzieningen volgden namelijk wel uit de bouwtekeningen.

Opvallend is dat het college nog een herkansing krijgt van de Afdeling, en het weer in de gelegenheid wordt gesteld een nadere motivering in te dienen. Wel perkt de Afdeling de bewegingsvrijheid voor het college fors in, door zeer specifiek voor te schrijven op welke punten een nadere motivering wordt verwacht. Wellicht dat driemaal nu wel scheepsrecht is voor het college.

De Afdeling deed eind maart een aantal uitspraken waarin de vraag centraal stond of een eigenaar of (ver)huurder van een woning als functioneel dader kon worden beschouwd in het geval van verboden activiteiten in die woning. Evenals in eerdere uitspraken vormt de vraag of sprake was van het aanvaarden van een overtreding de kern van de discussie.

In twee uitspraken houdt de boete geen stand omdat de overtreding niet was aanvaard. De eigenaar of (ver)huurder had voldaan aan de zorgplicht. Ook waren er geen aanwijzingen op grond waarvan meer mocht worden verwacht. In twee uitspraken komt de Afdeling wel tot het oordeel dat de overtreding was aanvaard. Daarbij valt met name de uitspraak van 27 maart 2024 op over een boetebesluit van het college van Den Haag, ook omdat dit besluit om andere redenen geen standhoudt.

In een (onder)verhuurde woning werd een hennepkwekerij aangetroffen. Het college merkte niet de onderhuurder maar de huurder als overtreder aan en legde een boete op omdat de woning aan de bestemming was onttrokken. De Afdeling is kort over de vraag of sprake is van beschikken. Dat is het geval omdat de huurder de woning zelf aan een ander in gebruik had gegeven. Volgens de Afdeling had de huurder de overtreding ook aanvaard en stelt hierbij voorop dat niet vaststaat dat de huurder zelf de woning had onttrokken of daarvan op de hoogte was. Omdat hij ten tijde van het aantreffen van de hennepkwekerij huurder was van de woning rustte op hem wel de zorgplicht. Hieraan was niet voldaan gelet op de wijze waarop de woning was verhuurd. De huur werd contant betaald, er was geen contract en onduidelijk was of er überhaupt afspraken waren gemaakt. De huurder had dus op geen enkele wijze geprobeerd het legale gebruik van de woning te waarborgen.

Omdat sprake was van een overtreding van het verbod tot onttrekking hoefde het college niet te (ook) bewijzen dat de huurder ook het kweken van hennep had aanvaard. Immers, dit was niet van belang voor de vraag of de huurder als overtreder van het ontrekkingsverbod had te gelden.

Na toetsing van het boetebesluit aan artikel 5:46, tweede lid, van de Awb komt de Afdeling toch tot het oordeel dat het geen stand kan houden. De Afdeling betrekt hierbij onder meer het financiële nadeel vanwege de overtreding (stroomrekening), het gebrek aan eigen profijt en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene (psychische problematiek). Een boete was hierdoor niet passend.

De Afdeling bevestigt weer dat in het kader van de zorgplicht wel enige inspanningen worden verwacht. De ondergrens wordt gevormd door het geregeld controleren van een woning en het bijhouden van een deugdelijke administratie. Uit de uitspraak volgt ook dat een bestuursorgaan zich daarnaast moet blijven vergewissen van de concrete situatie. Omstandigheden die geen rol spelen bij de vraag of sprake is van aanvaarden, kunnen wel van betekenis zijn voor de vraag of een boete evenredig is.

Remko Wijling en Olga de Vries hebben de uitspraak van de Afdeling over het delen van startberichten met persoonsgegevens door de Sociale Verzekeringsbank met de Belastingdienst van een annotatie voorzien. Zij gaan onder meer in op de wijze van toetsing door de Afdeling en de evenredigheid en proportionaliteit van de inbreuk. De annotatie is vindbaar onder AB 2024/64.