Als een bewoner ernstige overlast veroorzaakt voor zijn of haar woonomgeving, is dat enkele feit onvoldoende voor een burgemeester om een woning te sluiten op grond van artikel 174a van de Gemeentewet. Voor toepassing van deze bevoegdheid is namelijk nodig dat sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde, en meer in het bijzonder van een ernstige bedreiging van de veiligheid en gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning.

In een uitspraak van 20 maart 2024 past de Afdeling dit toetsingskader toe en komt tot het oordeel dat een sluiting van een woning door de burgemeester van Zoeterwoude geen stand kan houden.

Met de burgemeester was de Afdeling van oordeel dat sprake was van ernstige overlast, waaronder schelden, bedreigen, met een stok zwaaien, een deuk in een regenpijp slaan, over de schutting schreeuwen etc. De Afdeling oordeelt echter dat deze overlast – hoe ernstig ook – niet kon worden gekwalificeerd als een ernstige bedreiging van de veiligheid en gezondheid van de mensen in de omgeving van de woning. Ook was onduidelijk of (alle) overlastgevende gedragingen zich vanuit de woning hadden voorgedaan.

Bij het lezen van de uitspraak kwam wel de vraag op waarom de burgemeester in dit geval geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 151d van de Gemeentewet, bijvoorbeeld door het geven van een gedragsaanwijzing. Gelet op de aard van de overlast had deze bevoegdheid wellicht wel soelaas geboden.

Het bepaalde in artikel 151d van de Gemeentewet biedt voor een gemeente de mogelijkheid om in de APV bepalingen op te nemen die woonoverlast tegengaan. De burgemeester is ex artikel 151, lid 2, van de Gemeentewet belast met de handhaving en kan concrete gedragsaanwijzingen opleggen in de vorm van een last onder dwangsom of bestuursdwang of, in het uiterste geval, tot sluiting van een woning overgaan. Zowel de Afdeling als de rechtbank Gelderland deden uitspraak in zaken waarin de toepassing van artikel 151d van de Gemeentewet centraal stond.

Bij de Afdeling lag de vraag voor of een schriftelijke waarschuwing die de burgemeester van Rijswijk vanwege woonoverlast had uitgevaardigd een besluit was als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb of daarmee kon worden gelijkgesteld. Omdat zowel artikel 151d van de Gemeentewet als de APV van de gemeente geen zelfstandige grondslag voor een waarschuwing als onderdeel van een sanctieregime kenden, was volgens de Afdeling geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Verder deed zich geen uitzonderingssituatie voor op grond waarvan de waarschuwing omwille van de rechtsbescherming tot met een besluit gelijkgesteld moest worden. De waarschuwing was uitgewerkt. In het geval van nieuwe overlast zou een nieuwe waarschuwing volgen en niet meer worden teruggegrepen op de oude waarschuwing. De oude waarschuwing bleef dus niet als een zwaard van Damocles boven het hoofd van de betrokkene hangen. Was dit wel het geval geweest, dan had de Afdeling mogelijk wel een uitzondering aangenomen.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland deed uitspraak in een zaak waarin wel sprake was van een besluit omdat handhavend was opgetreden (mede) op grond van artikel 151d van de Gemeentewet. De burgemeester van Winterswijk was tot sluiting van een woning overgegaan vanwege een stapeling van incidenten in de woonomgeving. De directe aanleiding voor het handhavend optreden was de dreiging van de bewonder om een bom te plaatsen bij het CAK. In de woning werden echter geen materialen e.d. aangetroffen. De enkele dreiging was volgens de voorzieningenrechter dan onvoldoende, omdat er geen sprake was van een gedraging vanuit de woning die gevolgen had in de onmiddellijke nabijheid of directe omgeving daarvan.

Ook de overige incidenten konden een sluiting niet dragen. Deze incidenten waren al enkele maanden oud terwijl een maatregel tot doel heeft verdere verstoring te voorkomen. Mede gelet op het tijdelijk en kortdurend karakter van een maatregel ex artikel 151d Gemeentewet, was het de vraag of het doel enkele maanden later nog met een sluiting kon worden bereikt. Wat daarbij zal hebben meegespeeld is dat de betrokkene al enige tijd niet meer in de woning verbleef. Kort en goed had het instrument eerder moeten worden ingezet of had het effect ervan vanwege tijdsverloop nader moeten worden gemotiveerd.

Relevantie
Op 29 maart jl. deed de Afdeling uitspraak in het hoger beroep van een Coffeeshop te Beverwijk. Dit hoger beroep richtte zich tegen i) de intrekking van een exploitatievergunning op grond van de Wet Bibob en de APV en ii) de intrekking van een gedoogverklaring. Wat deze uitspraak lezenswaardig maakt, is dat de Afdeling zich uitlaat over de gegevensverwerking door RIEC-partners en verder enkele voor de praktijk relevante punten uitgebreid bespreekt.

Samenvatting
Een aantal punten die in uitspraak van de Afdeling opvallen:

i) De Afdeling bespreekt de vraag of sprake is van een (voldoende) wettelijke grondslag voor gegevensverstrekking en verwerking tussen RIEC-partners. De Afdeling oordeelt dat nog geen brede wettelijke grondslag bestaat voor verwerking en verstrekking van persoonsgegevens binnen alle partners van het RIEC. Voor de specifieke verstrekkingen waarin het in deze kwestie om gaat, verstrekkingen tussen de Belastingdienst, het Bureau en de burgemeester, bestond echter wel voldoende wettelijke grondslag. De Afdeling wijst hierbij op de AWR en de Wet Bibob waaruit van deze wettelijke grondslag volgt. Uit de AWR volgt daarbij weliswaar een verplichting voor de Belastingdienst om bepaalde gegevens geheim te houden, maar van dit verbod kan worden afgeweken bij regeling (i.c. het Regionaal Convenant van het RIEC);

ii) De Afdeling beoordeelt vervolgens eerst de B-grond. Omdat het gaat om de exploitatie van een coffeeshop moet het daarbij gaan om feiten die vallen buiten de grenzen van wat expliciet wordt gedoogd. Feiten die binnen deze grens vallen mogen niet worden meegenomen. Volgens de Afdeling kan de B-grond standhouden gelet op – onder meer – de grote hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen. Nu alleen de B-grond al voldoende is om tot intrekking over te gaan, komt de Afdeling niet meer toe aan een bespreking van de A-grond of de APV, en

iii) Een intrekking van een gedoogbeslissing is geen besluit en kan – behoudens uitzonderingsgevallen – niet met een besluit gelijk worden gesteld. In beginsel kan dan ook geen rechtsmiddel tegen een intrekking worden aangewend, tenzij sprake is van een uitzonderlijk geval. Tot op heden is alleen een uitzonderlijk geval aangenomen in het geval het uitlokken van handhavend optreden een (groot) risico op een vrijheidsbenemende maatregel met zich zou brengen.

Wel kan sprake zijn van zodanige samenhang tussen het intrekken van een exploitatievergunning en een gedoogbeslissing, dat sprake is van onlosmakelijke samenhang en gelijktijdige beoordeling nodig is. Houdt de intrekking van de exploitatievergunning namelijk geen stand, dit ook gevolgen heeft voor de gedoogbeslissing. Omdat de intrekking van de exploitatievergunning in dit geval standhoudt, komt de Afdeling niet meer aan de beoordeling van de gedoogbeslissing toe.

Op 8 maart 2024 kwam in het nieuws dat burgemeester Halsema van Amsterdam aan een lid van een rapgroep een ‘online-gebiedsverbod’ heeft opgelegd. Hij of zij zou online concrete bedreigingen hebben geuit richting leden van een andere rapgroep. Ook zou sprake zijn van een voorgeschiedenis van ernstige geweldsincidenten tussen beide groepen.

Gelet op de impact van de steeds verdere digitalisering op de samenleving – bijvoorbeeld als via social media wordt opgeroepen tot geweld – valt de maatregel van de burgemeester te volgen. De vraag is wel of de bestaande bevoegdheden van de burgemeester voldoende basis bieden voor een ‘online-gebiedverbod’ en of het dus in rechte stand zal houden.

Indien het ‘online-gebiedsverbod’ is gebaseerd op de APV is mijn inschatting dat het verbod geen standhoudt. Een mening, hoe ongewenst ook, kan niet via lagere regelgeving worden verboden. Het recht op vrijheid van meningsuiting valt namelijk onder de grondwettelijke en verdragsrechtelijke bescherming van de artikelen 7 en 9 van de Grondwet en de artikelen 7 en 10 van het EVRM. Gelet op de beperkingssystematiek uit deze artikelen kan een beperking alleen bij wet in formele zin plaatsvinden. De rechtbank Utrecht oordeelde eerder in gelijke zin.

Ook indien het ‘online-gebiedsverbod’ is gebaseerd op de Gemeentewet is het onzeker of het standhoudt. De meest geschikte bevoegdheden uit de Gemeentewet – de lichte bevelsbevoegdheid (artikel 172, lid 3) en de noodbevelsbevoegdheid (artikel 175) – bieden mogelijkheden, maar kennen ook grenzen. Naar mijn inschatting zal een rechter wel aannemen dat sprake is van een (ernstige vrees voor) ernstige wanordelijkheden of verstoring van de openbare orde. Echter, voor een inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting biedt artikel 172, lid 3 te weinig basis, ook volgens de wetsgeschiedenis. Dit geldt ook voor de noodbevelsbevoegdheid ex artikel 175, omdat de inzet daarvan niet mag raken aan de inhoud van uitlatingen. Dit nog los van het tijdelijk karakter van beide bevoegdheden.

Punt van aandacht is wel dat, bijvoorbeeld in het geval van agressieve honden, in de rechtspraak een tijdelijke inbeslagname ex artikel 172, lid 3, wordt geaccepteerd en dus ook wordt geaccepteerd dat tijdelijk een forse inbreuk op het eigendomsrecht wordt gemaakt op grond van dit artikel. Veel zal dan ook afhangen van de exacte formulering van het verbod en de onderliggende motivering (niet op inhoud wel op mogelijke gevolgen).

Los van de uitkomst van deze zaak, pleit het voorgaande wel voor verdere initiatieven om te komen tot passende wet- en regelgeving omdat het probleem actueel is en de huidige bevoegdheden ontoereikend zijn.

Aan een ambtsbericht of een bestuurlijke rapportage liggen vaak vertrouwelijke stukken ten grondslag. Een bestuursorgaan kan deze stukken met een beroep op geheimhouding ex artikel 8:29 van de Awb aan de bestuursrechter toezenden. Wordt dit verzoek toegewezen dan wordt de betrokkene op wie deze stukken zien in een lastige bewijspositie gebracht. Immers, in beginsel mag van de juistheid van een ambtsbericht of rapportage worden uitgegaan tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan worden aangedragen. Als een betrokkene echter geen kennis van de onderliggende stukken kan nemen, is het bijna onmogelijk om concrete aanknopingspunten aan te dragen. Het is dan aan de bestuursrechter om met de nodige extra zorgvuldigheid de onderliggende stukken te toetsen en het recht op een eerlijk proces te waarborgen. In een uitspraak van 28 februari 2024 volgt van de wijze waarop de Afdeling invulling geeft aan deze toetsing.

De minister had een betrokkene aangewezen als persoon op wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is. Aan deze aanwijzing lag een ambtsbericht met onderliggende stukken ten grondslag. Deze stukken waren afkomstig van de AIVD en waren onder geheimhouding aan de Afdeling gezonden.

Bij de toetsing aan het ambtsbericht stelt de Afdeling de hoofdregel voorop, tenzij concrete aanknopingspunten worden aangedragen wordt uitgegaan van de juistheid ervan. De Afdeling nuanceert dit vervolgens door te overwegen dat als bevindingen in een ambtsbericht minder scherp omlijnd zijn, ook de aangevoerde concrete aanknopingspunten dat mogen zijn. Ten aanzien van het voorliggende ambtsbericht constateert de Afdeling dat dit enkel een stelling bevat en dat de onderliggende stukken waaruit de onderbouwing van deze stelling zou volgen met een beroep op geheimhouding zijn toegezonden. Dit brengt de betrokkene in de door de Afdeling geduide lastige bewijspositie.

Vervolgens beoordeelt de Afdeling of de in het ambtsbericht weergegeven informatie wordt gedragen door de onderliggende stukken en of die weergave een representatief beeld vormt van het geheel van deze stukken. Dat blijkt niet het geval te zijn omdat uit de onderliggende stukken niet volgt van het wie, wat, waar en waarom. Dat de AIVD zijn werkwijze wil beschermen is volgens de Afdeling begrijpelijk, maar maakt niet dat de onderliggende stukken de inhoud van het ambtsbericht moeten kunnen dragen. Het besluit haalt de eindstreep dan ook niet. Wat hierbij ook zal hebben meegespeeld is dat de AIVD niet ter zitting is verschenen en zo geen nadere toelichting heeft kunnen geven.

Voor de betrokkene levert dit na meer dan 6 jaar procederen een gunstig resultaat op. Voor bestuursorganen volgt uit deze uitspraak dat de vergewisplicht of onderliggende informatie een ambtsbericht of rapportage kan dragen niet te licht mag worden opgevat, zelfs als die onderliggende informatie vertrouwelijk is.

Kantoorgenoten Remko Wijling en Laura Hinrichs hebben (wederom) een bijdrage geleverd aan de kroniek Ondernemingsstrafrecht in de recente editie van het Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving. In deze bijdrage zijn Remko en Laura ingegaan op ontwikkelingen en recente rechtspraak op het gebied van i) de Opiumwet(sluitingen), ii) de Drank- en Horecawet/Alcoholwet (Bibob) en iii) de Wet op de kansspelen.

De bijdrage is terug te vinden onder het kopje ‘Bijzondere wetgeving (I)’. De volledige kroniek is hier te raadplegen.

Een besluit van een bestuursorgaan kan ook tijdens een (rechts)zitting worden ingetrokken. In de regel wordt een dergelijke intrekking dan neergelegd in het proces-verbaal van de zitting. Als het bestuursorgaan de intrekking later betwist, mag in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen is vastgelegd in het proces-verbaal. Alleen wanneer er duidelijke aanwijzingen zijn dat het proces-verbaal geen juiste weergave is van het verhandelde op de zitting, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Verder geldt dat als een vertegenwoordiger van een bestuursorgaan ter zitting handelt alsof hij de bevoegdheid had om een besluit in te trekken, daarop mag worden afgegaan bij het opstellen van het proces-verbaal.

Met de opname van de intrekking van het besluit is ook voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste ex artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Immers, voldoende is dat een besluit uit een schriftelijk stuk – zoals een proces-verbaal – kenbaar is om aan dit vereiste te voldoen.

Toepassing van deze uitgangspunten leidde in een uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024 tot het oordeel dat college van burgemeester en wethouders van Groningen een beslissing op bezwaar – waarin een aanvankelijk verleende omgevingsvergunning alsnog werd geweigerd – ter zitting bij de rechtbank had ingetrokken. Ook had het college (veel) te laat opnieuw beslist op de bezwaren. Dat voor een nieuw besluit de uniforme openbare voorbereidingsprocedure moest worden gevolgd, maakte niet dat de door de rechtbank gestelde termijn van twee weken voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar te kort was. Een enkele herroeping van het primaire besluit in bezwaar en de vaststelling dat op een nieuwe beslissing de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing was, zou voldoende zijn geweest. De Afdeling constateert terecht dat een termijn van twee weken hiervoor ruim voldoende was.

Omdat de nieuwe beslissing op bezwaar verder ook inhoudelijk gezien de toets der kritiek van de Afdeling niet kan doorstaan, dient het college (weer) opnieuw op de bezwaren te beslissen. Het college krijgt daarbij het nodige inhoudelijke huiswerk van de Afdeling mee zodat wellicht voorkomen wordt dat deze zaak nog langer voortduurt. Mocht deze zaak echter opnieuw voor de rechtbank of Afdeling belanden, dan zal de vertegenwoordiger van het college naar ik inschat het woord intrekking niet snel meer in de mond nemen.

Degene die zich op de beschermende werking van overgangsrecht beroept draagt in beginsel de bewijslast om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. Maar wat dient nu exact aannemelijk te worden gemaakt? In een uitspraak van 14 februari 2024 geeft de Afdeling nogmaals het toetsingskader voor zowel het gebruiks- als het bouwovergangsrecht weer.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden had een exploitant en een eigenaar van een shisha-lounge aangeschreven om zowel het strijdige gebruik van het pand te staken, als om een niet vergunde ventilatiepijp te verwijderen. Beiden waren het niet eens met deze last en beroepen zich ook in hoger beroep op de beschermende werking van overgangsrecht. De eigenaar en de exploitant stellen dat het gebruik van het pand niet is gewijzigd ten opzichte van het overgangsrechtelijk beschermde gebruik als “koffiehuis”. Het roken van shisha-pijpen zou namelijk vallen onder de normale exploitatie van een koffiehuis.

De Afdeling stelt bij de beoordeling van het hoger beroep eerst vast dat het gebruik van het pand op zichzelf overgangsrechtelijk is beschermd op basis van het op de peildatum vigerende bestemmingsplan. Vervolgens beoordeelt de Afdeling of voldoende aannemelijk is gemaakt dat het gebruik van het pand ten tijde van de gemeentelijke controles niet is gewijzigd ten opzichte van het op de peildatum bestaande gebruik. De Afdeling benadrukt dat het daarbij niet gaat om de discussie of het roken van shisha-pijpen valt onder het begrip koffiehuis, maar wel de vraag of dit gebruik op de peildatum feitelijk gezien al bestond. In deze bewijslast slagen de exploitant en de eigenaar niet, omdat naar de peildatum toe alleen een korte verklaring van hun voorganger beschikbaar is. Dit is volgens de Afdeling onvoldoende om aan te tonen dat het feitelijk gebruik sinds de peildatum niet is veranderd.

Ook ten aanzien van de ventilatiepijp slaagt het beroep op het (bouw)overgangsrecht niet. De ventilatiepijp is zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geplaatst en het (bouw)overgangsrecht kan die ontbrekende omgevingsvergunning niet vervangen, aldus de Afdeling. Immers, zelfs al zou het (bouw)overgangsrecht van toepassing zijn, dan blijft een omgevingsvergunning vereist. Omdat ook alle overige hoger beroepsgronden worden verworpen, mocht het college handhavend optreden.

Uit deze uitspraak volgt maar weer dat het voor het doen van een beroep op het overgangsrecht van groot belang is om scherp te hebben wat exact aannemelijk moet worden gemaakt, namelijk het feitelijk gebruik op de peildatum. Alleen verklaringen zijn dan meestal niet genoeg, maar in combinatie met beeldmateriaal en een sluitende administratie wellicht wel. Verder vervangt (bouw)overgangsrecht een ontbrekende omgevingsvergunning niet.

Op 31 januari 2024 deed de Afdeling uitspraak in een zaak waar de vraag centraal stond of een eerst tijdens de beroepstermijn opgerichte bewonersvereniging als belanghebbende kon worden beschouwd bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan. Na de vaststelling dat door de bewonersvereniging geen zienswijze is ingediend, ziet de Afdeling zich voor de vraag geplaatst of de bewonersvereniging als belanghebbende ex artikel 1:2 van de Awb kan worden gekwalificeerd. Is dat het geval, dan kan het niet indienen van een zienswijze namelijk niet worden tegengeworpen.

Uitgangspunt is dat de bewonersvereniging ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb als belanghebbende kan worden beschouwd als het belang waarvoor wordt opgekomen voldoende duidelijk uit de statutaire doelstelling volgt en feitelijke werkzaamheden worden verricht ter behartiging van dit belang. Het ijkpunt voor de vraag of feitelijke werkzaamheden zijn verricht is de dag voorafgaand aan het einde van de beroepstermijn. Verder kan het enkel in rechte opkomen tegen besluiten of werkzaamheden die daarmee samenhangen niet worden beschouwd als het verrichten van feitelijke werkzaamheden. Het geven van voorlichting, lezingen etc. is (in beginsel) wel voldoende, mits dit niet uitsluitend op de te voeren procedures ziet.

Naar deze toetsingsmaatstaf komt de Afdeling tot het oordeel dat door de bewonersvereniging geen feitelijke werkzaamheden zijn verricht en zij niet als belanghebbende ex artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

Opvallend is dat de Afdeling ook overwegingen wijdt aan de vraag of het de bewonersvereniging kan worden verweten dat onvoldoende feitelijke werkzaamheden zijn verricht. Bijvoorbeeld omdat zij eerst kort voor het einde van de beroepstermijn is opgericht en er dus te weinig tijd resteerde voor het verrichten van feitelijke werkzaamheden. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat de bewonersvereniging 10 weken voor het einde van de beroepstermijn is opgericht. De Afdeling achtte die periode niet dusdanig kort dat de bewonersvereniging in het geheel geen feitelijke werkzaamheden had kunnen uitvoeren.

Omdat ook de individuele bewoners die lid zijn van de bewonersvereniging niet als belanghebbende kwalificeren, is tot slot geen sprake van een situatie waarin sprake is van de behartiging van de belangen van haar leden. Daarvoor is nodig dat – minimaal – één lid zelf als belanghebbende kwalificeert.

Dat de bewonersvereniging ook ten tijde van de zitting nog geen feitelijke werkzaamheden had verricht, zal in deze zaak niet hebben meegeholpen. Zou het oordeel van de Afdeling anders zijn geweest als de bewonersvereniging ter zitting wel een lijst met feitelijke werkzaamheden had kunnen overleggen? Wellicht wel, mits daarnaast ook kon worden uitgelegd waarom deze feitelijke werkzaamheden niet konden worden aangevangen (of afgerond) in de 10 weken voor het einde van de beroepstermijn.

Lees de reactie van Remko Wijling in het AD hier.

Een aanvraag is een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Wordt een aanvraag ingediend door een betrokkene die geen belanghebbende is, dan zal deze aanvraag buiten behandeling worden gelaten. Deze beslissing kwalificeert dan niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, waardoor ook geen bezwaar openstaat.

Gaat het om een aanvraag om een omgevingsvergunning, dan wordt de aanvrager verondersteld belanghebbende te zijn, tenzij de grond waarop de aanvraag ziet bij een ander in eigendom is of er zakelijke rechten op rusten. Als de rechthebbende op de grond geen toestemming geeft voor de activiteit waarop de aanvraag ziet en die ook niet anderszins kan worden afgedwongen, dan is aannemelijk dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt en is de aanvrager geen belanghebbende. De Afdeling deed woensdag 17 januari 2024 uitspraak in een zaak waarin deze vraag centraal stond.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen ontving een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan, namelijk ten behoeve van een coffeeshop. De aanvrager was echter geen eigenaar van de gronden waarop de coffeeshop zou worden gerealiseerd. Die waren in eigendom bij de gemeente en de gemeente was niet van plan toestemming te verlenen voor het voorgenomen gebruik als coffeeshop.

De Afdeling kwam tot het oordeel dat het onder deze omstandigheden niet aannemelijk was dat de voorgenomen activiteit kon worden gerealiseerd. Dat wel sprake was (geweest) van een intentieovereenkomst tussen de gemeente en de aanvrager met daarin – kort gezegd – afspraken over het doen van haalbaarheidsonderzoeken maakte dit niet anders. Die overeenkomst was opgezegd en bij gebreke aan afspraken doet zich volgens de Afdeling een privaatrechtelijke belemmering voor die de uitvoering van de activiteit onaannemelijk maakt. De vraag of de overeenkomst rechtmatig was opgezegd, is daarbij aan burgerlijke rechter en niet aan de bestuursrechter. Ook de vraag of de aanvrager de enige serieuze gegadigde is maakte dit niet anders. Immers, ook in die situatie was nog steeds een overeenkomst met de eigenaar van de grond nodig en die was daartoe niet bereid.

Kort en goed komt de Afdeling tot het oordeel dat het college het verzoek terecht niet als een aanvraag in behandeling had genomen en dus ook geen sprake was van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen bezwaar openstond.

Wat opvalt is dat de discussie bij de rechtbank heeft toegespitst op een ander ontvankelijkheidspunt, namelijk de vraag of tijdig bezwaar was ingediend. De Afdeling laat zich hier niet over uit, maar beoordeelt direct de vraag of een besluit voorligt. Dat lijkt ook de meest verstandige aanvliegroute te zijn. Ongeacht de vraag of een bezwaar tijdig is ingediend, als geen besluit voorligt leidt ook een tijdig bezwaar tot niets.

Op 24 januari 2024 deed de Afdeling een zestal uitspraken over de vraag wanneer een eigenaar van een woning als functioneel dader kan worden beschouwd in het geval van verboden activiteiten in die woning. Met name stond de vraag centraal wanneer sprake is van het aanvaarden van een verboden gedraging. Los van de concrete zaken, valt op hoofdlijnen een lijn te destilleren uit de uitspraken van de Afdeling.

Door verschillende gemeenten was geconstateerd dat verboden gedragingen in woningen plaatsvonden, variërend van toeristische verhuur tot het gebruik als hennepkwekerij. Vanwege deze gedragingen waren forse boetes opgelegd aan de eigenaren van de woningen. In geen van de zaken stond ter discussie dat sprake was van een verboden gedraging of dat de eigenaar over de woning kon beschikken. Wel stond ter discussie of de eigenaar (als natuurlijke- of rechtspersoon) de verboden gedraging had aanvaard door – kort gezegd – niet die zorg te betrachten die in redelijkheid van hem kon worden gevergd. Wat acht de Afdeling vervolgens van belang bij de invulling van deze zorgplicht?

  • Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan de bewijslast draagt voor zowel het beschikken als het aanvaarden. Er zal dus onderzoek nodig zijn naar de concrete invulling van de zorgplicht door een eigenaar. Wat mocht van hem worden verwacht in de concrete situatie en wat heeft hij gedaan?
  • Van een eigenaar mag in algemene zin worden verwacht dat hij de woning op gezette tijden controleert of een professionele partij hiervoor in de arm neemt, en duidelijke regels neerlegt in een huurcontract. Ook het voeren van een administratie ten aanzien van de huur (bij voorkeur via de bank) en de persoon van de huurder mag worden verwacht;
  • Kan een eigenaar niet aantonen dat hij deze inspanningen heeft verricht, dan is sprake van aanvaarden. Zijn deze inspanningen wel verricht, dan is daar in beginsel geen sprake van;
  • Specifieke feiten en omstandigheden kunnen maken dat meer van een eigenaar mag worden verwacht. Was (of kon) de overtreding eenvoudig zichtbaar (zijn) bij een normale controle? Waren er andere signalen? Als eerder een overtreding heeft plaatsgevonden, is dat op zichzelf echter niet voldoende als daarna adequate maatregelen zijn genomen;
  • Ook de duur van de overtreding speelt een rol. Was sprake van een kortdurende overtreding, of was de overtreding nog maar net aangevangen, dan kan een eigenaar niet zonder meer worden tegengeworpen dat hij niet (of te laat) heeft gecontroleerd.

In vijf van de zes uitspraken haalt de boete de eindstreep niet. Onze conclusie is dat de Afdeling de lat voor het bestuursorgaan hoger heeft gelegd, maar ook de eigenaar een duidelijke verantwoordelijkheid heeft. Voor lopende zaken verwachten wij dat er nog een fors aantal boetes zal sneuvelen. Voor nieuwe zaken zal het op de kwaliteit van het onderzoek aankomen.