Onze kantoorgenoot Remko Wijling schreef samen met Mark Husen in het Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving een bijdrage naar aanleiding van het wetsvoorstel “Handhaving sociale zekerheid”. Dit wetsvoorstel beoogt de balans weer terug te brengen in het socialezekerheidsrecht en een oplossing te bieden voor de nu knellende wetgeving. Wijling en Husen bespreken in hun bijdrage of het voorstel deze doelstelling haalt, en benoemen ook alternatieve mogelijkheden om de balans terug te brengen.

Misbruik van procesrecht leidt volgens de Afdeling in een uitspraak van 27 december 2023 niet alleen tot een niet-ontvankelijkverklaring van een (hoger) beroep. Als sprake is van misbruik, leidt dit ook tot een afwijzing van een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

De Afdeling komt tot dit oordeel door eerst vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van misbruik van procesrecht. Daarvan is sprake als de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen wordt misbruikt omdat (bijvoorbeeld) met een ander doel wordt geprocedeerd. Dit volgt uit de artikelen 13, eerste lid, en 15 van Boek 3 van het BW die ook doorwerken in het bestuursrecht.

Na deze schets van het wettelijk kader, is de Afdeling er snel uit. In hoger beroep wordt alleen geprocedeerd over proceskostenvergoedingen en teruggave van griffierechten (waarvoor als ik de uitspraak goed lees juist kwijtschelding was verleend). Verder staat deze zaak niet op zich. Er is sprake van een patroon van handelen in eenzelfde soort zaken dat er uitsluitend op is gericht om geld te verdienen. Het gaat niet meer om de inhoud van de procedures, aldus de Afdeling. Het rechtsmiddel van hoger beroep wordt dan voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het bedoeld is waardoor sprake is van misbruik. Dit oordeel van de Afdeling komt niet helemaal uit de lucht vallen. Door het Gerechtshof Amsterdam werd ten aanzien van deze appellant in een uitspraak van 20 juni 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:1599) al gehint op het bestaan van misbruik.

Verstrekkender is het oordeel van de Afdeling dat ook het verzoek om schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. Immers, als een procedure te lang duurt wordt spanning en frustratie als grondslag voor deze schadevergoeding verondersteld. Het is daarbij aan een bestuursorgaan of aan een rechter om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren dan wel te onderkennen die aanleiding vormen om hieraan te twijfelen. Alhoewel de Afdeling niet met zoveel woorden overweegt dat in het geval van misbruik geen sprake is van spanning en frustratie, lijkt dit wel te volgen uit de uitspraak. Als al voor het (hoger) beroep het doel van een appellant is bereikt en – zo lees ik de uitspraak – dus met een ander doel wordt geprocedeerd (misbruik), is geen sprake van spanning en frustratie.

De CRvB kwam tot een soortgelijk oordeel in de uitspraak van 1 augustus 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1523), maar wel onder een wat andere motivering. De CRvB overweegt dat het procesgedrag van een appellant als een bijzondere omstandigheid moet worden beschouwd, omdat (mede) daardoor een procedure onnodig lang heeft geduurd. In het geval van misbruik lijkt de redenering van de Afdeling zuiverder te zijn, maar ook verstrekkender. Het moet worden afgewacht of de CRvB aansluiting bij de Afdeling zoekt.

Op 13 december 2023 gaven Frank van Ardenne en Remko Wijling de cursus ‘Arbeidsinspectie op de stoep, wat nu?’ Tijdens deze cursus is onder andere ingegaan op de risico’s voor een werkgever, leidinggevenden en veiligheidsdeskundigen bij een (ernstig) arbeidsongeval.

In aanloop naar deze cursus schreven Frank en Remko ook een derde en vierde artikel voor arbeidsveiligheid.net. In totaal zijn een viertal artikelen gepubliceerd waarin verschillende aspecten worden belicht die relevant (kunnen) zijn bij een bedrijfsongeval. Ook het derde artikel (‘Het bestuursrechtelijke onderzoek en de (eventuele) maatregelen na een bedrijfsongeval’) en het vierde artikel (‘Gevolgen veroordeling of bestuurlijke boete na bedrijfsongeval’) staat op arbeidsveiligheid.net

Een college is ingevolge artikel 1.4 van de Wet Brp en (vaste) rechtspraak van de Afdeling verantwoordelijk voor de juistheid van de gegevens in de basisadministratie. Deze gegevens kunnen bijvoorbeeld zien op een persoon (geslachtsnaam, geboortedatum), maar ook op zijn of haar woonadres (feitelijke verblijfplaats). Een persoon kan verzoeken om rectificatie of wijziging van deze gegevens.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 4 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1198) de maatstaf uiteengezet voor de beoordeling van een dergelijk verzoek. Kort gezegd moet voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens buiten redelijke twijfel staan dat de nieuwe gegevens juist zijn. Maar welk bewijs moet daarvoor nu worden aangeleverd?

Specifiek ten aanzien van gegevens die zien op een woonadres, is van belang dat bij een verzoek om rectificatie of wijziging door een betrokkene aan de hand van een geheel van waarneembare omstandigheden wordt aangetoond dat hij of zij een ander woonadres had. Onder meer het aantonen van de plaats waar de betrokkene ’s nachts heeft geslapen kan dan een grote betekenis hebben. Ook kan worden gedacht aan allerhande stukken waaruit volgt van het feitelijk verblijf van een persoon destijds zoals een huurcontract, een verklaring van een verhuurder, energienota’s etc.

Ten aanzien van gegevens die zien op een persoon, kan het bewijs dat in de Brp opgenomen gegevens onjuist zijn alleen worden geleverd aan de hand van de juiste brondocumenten en als wordt voldaan aan het door de Afdeling geformuleerde toetsingskader ten aanzien van deze gegevens. De eisen waaraan een specifiek brondocument moet voldoen volgen uit artikel 2.8 van de Wet brp. Het enkele feit dat sprake is van een brondocument betekent echter niet dat die gegevens zonder meer in de brp moeten worden opgenomen, op het moment dat die gegevens ook op de verzoeker zien. Als de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen opname, mogen er geen gegevens aan de documenten worden ontleend. Dit is het geval indien bijvoorbeeld geen gedegen onderzoek voorafgaand aan afgifte van het brondocument heeft plaatsgevonden of een buiten Nederland opgestelde akte niet overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgesteld.

Het is wel aan een college om gemotiveerd te betwisten dat een brondocument aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Als dit bewijs – goed gemotiveerd – wordt geleverd, dient een aanvrager (extra) bewijs van de juistheid te leveren. Uit de recente uitspraak van de Afdeling van 1 november jl. volgt dat dit vaak een (te) hoge drempel vormt. Aanvullend bewijs is vaak wel mogelijk, maar kan een brondocument niet geheel vervangen. Los van een duidelijk overzicht van de relevante rechtspraak, volgt uit deze uitspraak ook (vooral) van het huiswerk dat het college dient te verrichten voor een succesvolle betwisting.

Als een drugslaboratorium in een pand wordt aangetroffen wordt in de regel overgegaan tot sluiting op grond van de Opiumwet of als beheersmaatregel om blootstelling aan gevaarlijke stoffen te voorkomen. De gevaarlijke stoffen dienen echter ook te worden verwijderd, met alle kosten van dien. Als geen sprake is van een situatie van acuut gevaar en dus spoedbestuursdwang is aangewezen, kan daartoe een last onder dwangsom worden opgelegd.

De grondslag van deze last is afhankelijk van de situatie, maar als gevaarlijke stoffen in een pand worden aangetroffen kan worden teruggevallen op de zorgplichten uit artikel 1.1.a of 10.1 van de Wm en/of artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet in combinatie met het Bouwbesluit. Uit deze zorgplichten volgt de verplichting tot actief ingrijpen. Een nalaten levert dus ook een overtreding op. Verwacht mag namelijk worden dat alle maatregelen die redelijkerwijs mogelijk zijn worden getroffen om bijvoorbeeld nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Maar op wie rust deze zorgplicht en wie kwalificeert dus als overtreder? Op deze vraag gaat de Afdeling in een uitspraak van 8 november 2023 in.

Als de eigenaar en feitelijk gebruiker van een pand dezelfde zijn, bestaat geen discussie over de vraag op wie een zorgplicht rust. Dit wordt anders als sprake is van een (bedrijfsmatig) verhuurd pand en de eigenaar stelt niet betrokken te zijn geweest bij de opzet van een drugslaboratorium. Dan zal per overtreden voorschrift moeten worden bepaald of de eigenaar de op hem rustende zorgplicht is nagekomen.

Voor het antwoord op deze vraag beoordeelt de Afdeling in het geval van een (professioneel) verhuurder – althans zo lees ik de uitspraak – of redelijkerwijs wetenschap had kunnen bestaan van de overtreding. Als uitgangspunt hanteert de Afdeling daarbij dat van een professioneel verhuurder mag worden verwacht dat hij zich bewust is van het mogelijk gebruik van bedrijfspanden voor de productie van drugs. Vanuit dit uitgangspunt mag het nodige toezicht worden verwacht op een huurder en is een verhuurder ook gehouden tot de nodige inspanningen. Kort en goed is aan die inspanningsplicht niet voldaan als i) geen onderzoek is gedaan naar een huurder, ii) geen huurcontract is opgesteld, iii) uitsluitend contant werd betaald en iv) geen regelmatige controles plaatsvonden van het pand.

Van een professioneel verhuurder mag dus het nodige worden verwacht. Kan hij niet gedocumenteerd aantonen dat de nodige inspanningen zijn verricht, dan kwalificeert hij als overtreder met alle gevolgen van dien. Een college dient dit uiteraard wel goed te onderzoeken. Dat een last onder bestuursdwang met kostenverhaal op de feitelijke overtreders ook mogelijk was, maakt dit tot slot niet anders. Bij de keuze voor een last onder dwangsom of bestuursdwang bestaat keuzevrijheid, waarbij het college het standpunt mocht innemen dat bij verhuur niet alleen lusten maar ook lasten horen.

Handhavend optreden tegen overlast veroorzaakt door houtkachels blijkt voor veel gemeenten onder de huidige wet- en regelgeving toch vaak een lastige zaak. Wordt een wettelijke norm overtreden als de kachel van de buren roet en rook aan het spuwen is en hoe moet dit feitelijk worden vastgesteld? Naar de toekomst toe biedt de Omgevingswet naar het zich laat aanzien oplossingen. Voor de huidige situatie biedt de rechtspraak van de Afdeling de nodige handvatten over wat wel of juist niet mogelijk is. Zo ook een recente uitspraak van de Afdeling van 22 november 2023.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden had een last onder dwangsom opgelegd aan de eigenaar van een houtkachel. Volgens het college was sprake van overmatige hinder in de zin van artikel 7.22 aanhef en onder a, van het Bouwbesluit 2012. Anders dan de rechtbank volgt de Afdeling dit standpunt niet. De Afdeling stelt daartoe eerst vast dat deze bepaling uit het Bouwbesluit een ‘restbepaling’ is en uit het Bouwbesluit niet volgt wat onder overmatige hinder moet worden verstaan. Dat moet per concrete situatie worden vastgesteld en worden gemotiveerd. En juist daar schort het aan volgens de Afdeling. Het gemeentelijk dossier is namelijk (veel) te mager om te onderbouwen dat sprake is van overmatige hinder. Naast informatie van buren (tevens verzoekers om handhavend optreden) zijn toezichthouders ter plaatste geweest, maar die hebben slechts een enkele keer rook en geur waargenomen. Dat is (veel) te weinig om te kunnen vaststellen dat sprake is van overmatige hinder. De Afdeling komt dan ook tot de terechte slotsom dat geen sprake was van een overtreding.

Alhoewel de Afdeling nogmaals bevestigt dat een aanschrijving op grond van artikel 7.22 aanhef en onder a, van het Bouwbesluit 2012 mogelijk is, volgt uit deze uitspraak maar weer dat het voor een college vaak lastig is om de hinder en het overmatig karakter daarvan te onderbouwen. Had het college nog voor een andere grondslag kunnen kiezen? Niet direct over de band van gezondheidsschade in combinatie met artikel 7.22 van het Bouwbesluit. De Afdeling heeft dit standpunt nog niet gevolgd. Zie bijvoorbeeld (recent) ECLI:NL:RVS:2022:3140. Wel is het voor een burgemeester mogelijk om – mits de APV hierin via de Wet Woonoverlast voorziet – een gedragsaanwijzing op te leggen. Deze aanwijzing is echter een ultimum remedium met ook eigen spelregels (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:3706).

Kort en goed is de ruimte om nu te handhaven beperkt. Onder de Omgevingswet wordt dit naar het zich laat aanzien anders. Een gemeente kan bijvoorbeeld bij omgevingsplan regels vaststellen voor stoken, dan wel bij gebreke aan deze regels de zorgplicht uit de Omgevingswet inroepen. Ook kan een gemeente ervoor kiezen de specifieke zorgplicht nader in te vullen. Wordt ongetwijfeld vervolgd na 1 januari 2024.

Als een activiteit is vergund stuit een verzoek om handhaving meestal af op die vergunning. Daarvoor is wel nodig dat die vergunning in werking is getreden. De Afdeling deed op 29 november 2023 uitspraak in een zaak waarin deze vraag centraal stond. Een omwonende had het college van b&w van Amsterdam verzocht om handhavend optreden tegen geluidsoverlast veroorzaakt door het gebruik als kinderdagverblijf van een woning en de bijbehorende binnentuin. Het college had dit verzoek afgewezen. Voor dit gebruik zou namelijk al in 2018 een omgevingsvergunning zijn afgegeven, zodat geen sprake zou zijn van een overtreding.

De Afdeling begint nog met een voor het college hoopvolle overweging – de rechtmatigheid van de in 2018 verleende vergunning staat niet centraal – maar overweegt vervolgens dat dit niet geldt voor de vraag of de vergunning in werking is getreden. Ter beantwoording van die vraag stelt de Afdeling eerst vast dat het besluit tot verlening van de vergunning juist is gepubliceerd, namelijk door toezending aan de aanvrager. Dit betekent echter niet dat de vergunning ook in werking is getreden. Daarvoor is meer nodig. In het geval afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is (de uov) treedt een besluit ex artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo namelijk pas in werking met ingang van de dag na afloop van de beroepstermijn. De beroepstermijn vangt in het geval de uov van toepassing is ex artikel 6:8, vierde lid, van de Awb aan op de dag nadat het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, van de Awb ter inzage is gelegd.

In dit geval is de Afdeling van oordeel dat uit de inhoud van de vergunning volgt dat deze is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Omdat de omgevingsvergunning nooit ter inzage is gelegd, is de beroepstermijn nooit aangevangen en is de omgevingsvergunning nooit in werking getreden. Dan is sprake van een overtreding. Een publicatie van het college na de datum van het besluit waaruit volgt dat de reguliere procedure van toepassing was maakt dit volgens de Afdeling niet anders. Immers, de inhoud en procedure van het besluit zelf zijn leidend en niet een latere publicatie.

De omwonende had het college ook verzocht om handhaving van de geluidsgrenswaarden uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. Ook hier krijgt het college huiswerk mee. Stemgeluid van kinderen blijft op grond van artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit in dit geval buiten beschouwing bij het bepalen van geluidsniveaus. Dat geldt echter niet voor andere geluiden waarvan de omwonende stelde last te hebben. Die vallen buiten de uitzondering en naar deze geluiden had het college geen onderzoek verricht.

Het college heeft in deze zaak dus nog het nodige huiswerk te doen maar zal ook aan vergunninghouder het een en ander uit moeten leggen. Die meende waarschijnlijk over een in werking getreden vergunning te beschikken.

Als een overtreding wordt geconstateerd, dient een handhavingsbesluit te strekken tot het ongedaan maken van de gehele overtreding. Een last mag dus niet te beperkt zijn. De Afdeling deed afgelopen week uitspraak in een zaak waar deze discussie speelde tussen het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en een verzoeker om handhavend optreden.

Er was om handhaving verzocht vanwege werkzaamheden en bijbehorende grondwateronttrekking door de gemeente Utrecht in het kader van de reconstructie van werfmuren langs de Oudegracht. Tijdens de werkzaamheden diende de grondwaterstand met beheersmaatregelen op of boven de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) te worden gehouden, een en ander overeenkomstig een melding. Verzoeker stelde dat niet overeenkomstig de melding werd gewerkt. De GLG zou zijn onderschreden waarmee sprake zou zijn van een overtreding.
In hoger beroep spitst de discussie zich toe op de vraag of de door het college genomen besluiten (een last onder dwangsom en een waarschuwing) ver genoeg gaan. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat dit niet het geval is, zo volgt uit de uitspraak van 6 december 2023.

De Afdeling stelt eerst het toetsingskader vast. Omdat de werkzaamheden zijn afgerond, de overtredingen niet meer bestaan en de last onder dwangsom is ingetrokken, stelt de Afdeling vast dat in bezwaar terecht niet is uitgegaan van een ex nunc-beoordeling. Het college kon bezien in hoeverre de primaire besluiten, gezien de feiten en omstandigheden die toen bekend waren, rechtmatig waren.

Vervolgens oordeelt de Afdeling dat met een onderschrijding van de GLG is gegeven dat niet is gewerkt volgens de melding en sprake is van een overtreding. De onderschrijding van de GLG kon worden afgeleid uit door de gemeente en het college zelf geplaatste peilbuizen. Die waren immers bedoeld om de GLG te monitoren.

Hierna komt de Afdeling tot de kern. De GLG werd structureel onderschreden, maar de last die door het college was opgelegd zag niet op deze structurele overtreding. De last zag alleen op het verhogen van het waterpeil als er geen werkzaamheden werden uitgevoerd (doordeweeks buiten werktijden en in het weekend). Echter, een onderschrijding van de GLG tijdens werktijd is ook een overtreding. Omdat de last te beperkt was, kon het college bij een nieuwe overtreding niet volstaan met een waarschuwing en een verwijzing naar de eerdere last. Enerzijds omdat het college had aangekondigd iedere nieuwe overtreding te sanctioneren, anderzijds omdat de eerdere last te beperkt was.

In het geval sprake is van een overtreding dient een last dus te zien op deze overtreding en strekken tot het ongedaan maken daarvan. Als dat niet het geval is, is het handhavingsbesluit geen (volledige) beslissing op een verzoek om handhavend optreden. Bij een tweede handhavingsverzoek vanwege dezelfde overtreding kan dan niet worden teruggevallen op de eerdere last.

Eerder dit jaar heeft de Afdeling het toetsingskader geschetst voor het functioneel plegerschap. In een uitspraak van 13 december 2023 past de Afdeling dit toetsingskader toe bij de beoordeling van de vraag wanneer de houder van een omgevingsvergunning als overtreder kan worden aangemerkt, ook al verricht hij zelf geen werkzaamheden.

Door het college van burgemeester en wethouders van Losser werd geconstateerd dat bij de bouw van een vrijstaande woning in afwijking van de verleende omgevingsvergunning werd gebouwd. Deze werkzaamheden werden niet door de houder van de omgevingsvergunning verricht, maar door een in zijn opdracht ingeschakelde aannemer. Het college reageert op deze overtredingen met een bouwstop en een last onder dwangsom gericht aan de vergunninghouder als overtreder. Dit sorteert niet het gewenste effect. De werkzaamheden gaan door. Het college kiest dan voor een hogere last, maar ook dit helpt niet, waarna (weer) een nieuwe en nog hogere last onder dwangsom volgt.

Opvallend is dat de vergunninghouder niet opkomt tegen de bouwstop en lasten onder dwangsom. Hij schiet pas in actie op het moment dat het college tot invordering overgaat. Alhoewel de ruimte voor discussie dan beperkt is, kan de vraag wie overtreder is nog steeds aan bod komen. Dit wordt ook aangevoerd door de vergunninghouder. Volgens hem is sprake van een andere feitelijke overtreder – zijn aannemer – en is het onbegrijpelijk waarom de overtredingen aan hem worden toegerekend.

De Afdeling wijst eerst op de uitspraken van 31 mei 2023, en stelt dat als overtreder kan worden aangemerkt i) degene in wiens machtssfeer de fysieke handelingen liggen waardoor de overtreding is begaan en ii) die voorts die handelingen heeft aanvaard of in het algemeen placht te aanvaarden. Van dit laatste is in beginsel reeds sprake als de overtreder is tekortgeschoten in dat wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden om wederrechtelijke handelingen te voorkomen. Beschikken en aanvaarden dus.

Omdat appellant eigenaar van het perceel is, vergunninghouder is en ook opdrachtgever van de woning is, is volgens de Afdeling sprake van beschikkingsmacht over de bouw. Ook is sprake van aanvaarden. Daarbij stelt de Afdeling dat de vergunninghouder niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd met het oog op voorkoming van de gedraging (een zorgplicht dus). Hij had contact met de aannemer en kon de aannemer opdragen de bouw te staken. Daarvan is niet gebleken.

Uit deze uitspraak volgt dat het nodige van een vergunninghouder mag worden verwacht in het kader van de zorgplicht, bijvoorbeeld door het bijhouden van een logboek met daarin al zijn contacten en controlemomenten en door aan te geven welke actie is ondernomen. Uiteraard blijft het wel aan het college om aannemelijk te maken dat sprake is van een overtreding, maar als dat het geval is, is al snel een vergunninghouder aan zet.

Bij het beoordelen van de evenwichtigheid van een woningsluiting ex artikel 13b Opiumwet, spelen de mate van verwijtbaarheid, de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de vraag of vervangende huisvesting voorhanden is een rol. Kort en goed kunnen de gevolgen van het verlies van een woning zo groot zijn, dat van een sluiting moet worden afgezien. Welke gevolgen nu exact een rol spelen – en vooral welk gewicht aan die gevolgen wordt toegekend en wat van een burgemeester mag worden verwacht – wisselt van zaak tot zaak. Op hoofdlijnen valt wel een lijn te destilleren, en deze volgt bijvoorbeeld ook uit de recente uitspraak van de Afdeling van 18 oktober jl.

Ten aanzien van de verwijtbaarheid, kan het ontbreken van iedere verwijtbaarheid op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden maken dat van een sluiting moet worden afgezien. Verwijtbaarheid ontbreekt als een hoofdbewoner niet op de hoogte was en redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van drugs in een woning. Van een hoofdbewoner mag in dit verband adequaat toezicht worden verwacht, maar hier vallen ook grenzen aan te stellen. Dit hangt af van de woonsituatie. Waar lagen bijvoorbeeld de drugs, op een makkelijk vindbare of zichtbare plek of niet (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:823)? Is er verder een geloofwaardige verklaring voor het ontbreken van wetenschap?

Een sluiting maakt een inbreuk op het privéleven ex artikel 8 EVRM. In het bijzonder minderjarige kinderen en kwetsbare personen genieten deze bescherming. De enkele aanwezigheid van minderjarige kinderen, is echter (vaak) niet voldoende. Als sprake is van een bijzondere band met de woning (medisch of anderszins) en/of geen adequate andere opvang voorhanden is, kan dit wel leiden tot het afzien van een sluiting. Dit geldt ook indien de hoofdbewoner een kwetsbaar persoon betreft;

Financiële schade en de gevolgen van een sluiting voor – kort en goed – het vervolg van de woon carrière spelen en rol. Is sprake van een plaatsing op een zwarte lijst, wordt een huurovereenkomst ontbonden en is vervangende woonruimte beschikbaar (en financieel haalbaar)? Daarbij geldt (weer) dat bijvoorbeeld een enkele plaatsing op een zwarte lijst (vaak) niet voldoende is, zeker niet als er een speciaal woontraject beschikbaar is;

Tot slot rust op de burgemeester wel een inspanningsplicht in het kader van vervangende opvang. Aan deze inspanningsplicht lijkt – op het moment dat geen minderjarige kinderen of zorgbehoevenden in de woning woonachtig zijn – snel te zijn voldaan. Op een betrokkene rust namelijk ook een inspanningsplicht.

Het verdient aanbeveling om in een sluitingsbesluit deze stappen na te lopen en te motiveren welke gewicht daaraan toekomt, al dan niet onder verwijzing naar een rapportage of de beschikbare vervangende opvang. Dit maakt de evenwichtigheid van een sluiting (of het afzien daarvan) inzichtelijk, ook voor een rechter.

Remko Wijling zal spreken over Rechtsbescherming in het bestuursstrafrecht op het Congres Bestuursstrafrechtspleging, georganiseerd door het Montaigne Centrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging (Universiteit Utrecht) op 1 februari 2024.

Honden waren deze Werelddierendag volop in het nieuws. Niet alleen een mogelijk fok- en houdverbod voor bijtgevaarlijke honden haalde het nieuws, ook de Afdeling deed vandaag een duit (of hondenbrok) in het zakje met een uitspraak over de kosten van opslag van een inbeslaggenomen hond (Renzo).

Renzo was eerder bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van Assen inbeslaggenomen (en opgevangen) vanwege bijtincidenten. Het college heeft hierna de kosten van deze bestuursdwang verhaald op de eigenaar van Renzo, de bezwaren behandeld en was – zo lees ik de uitspraak – ook in de beroepsprocedure betrokken. In deze beroepsprocedure komt de rechtbank tot een matiging van de kosten van bestuursdwang en dus tot een (deels) gegrond beroep.

Echter, niet het college maar de burgemeester komt vervolgens tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep. Dat is volgens de Afdeling niet mogelijk, omdat de burgemeester eerder geen partij was in de procedure en dus niet als het bestuursorgaan of als belanghebbende als bedoeld in artikel 8:104 Awb kwalificeerde. Dat de burgemeester nu wel het bevoegde orgaan is binnen de gemeente als het gaat om toepassing van spoedeisende bestuursdwang, maakt dit (terecht) niet anders volgens de Afdeling. De bereidheid van het college om het hoger beroep over te nemen kan de zaak ook niet meer redden. Los van de omstandigheid dat de burgemeester kennelijk welbewust in plaats van het college hoger beroep heeft ingediend, is deze wisseling volgens de Afdeling te laat.

Het hoger beroep van de burgemeester wordt dus niet-ontvankelijk verklaard, met op Werelddierendag goed nieuws voor de eigenaar van Renzo tot gevolg. Wat naast de aandacht die nodig blijft voor de bevoegdheidsverdeling tussen college en de burgemeester vooral blijft hangen na lezing van de uitspraak, is de vraag waarom de burgemeester de keuze heeft gemaakt om zelf het hoger beroep in te dienen? Het waarom volgt namelijk niet uit de uitspraak.