Handhaving bij wilde zwijnen – geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel en verbod van willekeur

Handhaving bij wilde zwijnen – geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel en verbod van willekeur

Een beroep op het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur slaagt niet vaak. In een uitspraak van 30 juni 2026 gaf het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) een houder van wilde zwijnen (betrokkene) op deze punten gelijk.

 

Wat was er aan de hand?

Toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hadden vastgesteld dat de wilde zwijnen van betrokkene onder meer niet beschikten over de vereiste documenten en oormerken. Dit was voor de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (minister) aanleiding om overtredingen vast te stellen van de Europese diergezondheidswetgeving (Verordening 2016/429). De minister heeft daarom een last onder dwangsom opgelegd en verbeurde dwangsommen ingevorderd.

 

Beroepsgronden

Betrokkene heeft aangevoerd dat de voorschriften die hij volgens de minister heeft overtreden, niet op hem van toepassing zijn. Volgens hem zijn deze voorschriften namelijk van toepassing op gehouden dieren en niet op wilde dieren, zoals zijn zwijnen. Voor zover de voorschriften wel van toepassing zouden zijn, is volgens betrokkene sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Hij verwijst daarvoor naar Stadspark Berg en Bos en Natuurpark Lelystad.

 

Oordeel CBb

 

Wel een overtreding

Het CBb stelt vast dat Verordening 2016/429 onderscheid maakt tussen gehouden dieren en wilde dieren. Gelet op de definitiebepalingen is in het geval van betrokkene volgens het CBb sprake van gehouden dieren, omdat de wilde zwijnen zich op een omheind perceel bevonden en onder toezicht stonden. De minister heeft daarom terecht gesteld dat de voorschriften van toepassing zijn. De feiten zijn verder niet betwist, zodat de minister terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd en heeft besloten tot invordering van verbeurde dwangsommen.

 

Gelijkheidsbeginsel en willekeur

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur overweegt het CBb als volgt. Het is vaste rechtspraak dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat de bevoegdheid tot het treffen van een handhavingsmaatregel onrechtmatig is uitgeoefend, alleen omdat niet is opgetreden tegen een eventuele andere overtreder. Dat kan anders komen te liggen als sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die duidt op willekeur in de handhavingspraktijk van het bestuursorgaan. Om dit te kunnen toetsen, dient het bestuursorgaan inzichtelijk te maken waarom het in het ene geval wel en in het andere geval geen gebruik heeft gemaakt van zijn handhavingsbevoegdheid.

 

Volgens de minister is ten aanzien van de dieren bij Stadspark Berg en Bos en Natuurpark Lelystad geen sprake van gehouden dieren en ook niet van wilde dieren, maar van een tussencategorie omdat de dieren worden gehouden voor educatie- en tentoonstellingsdoeleinden. Het CBb stelt echter vast dat Verordening 2016/429 een dergelijke tussencategorie niet kent. Nu ook in deze parken wilde zwijnen worden gehouden op een omheind perceel, is sprake van gehouden dieren. Het CBb is van oordeel dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie van de zwijnen bij betrokkene verschilde van die van de zwijnen in de andere parken. Volgens het CBb is dus sprake van gelijke gevallen. Tegen de andere parken heeft de minister niet handhavend opgetreden. Volgens het CBb bestond er geen objectieve rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Evenmin was sprake van een consistent en doordacht bestuursbeleid, waarbij het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van zijn optreden in vergelijkbare gevallen.

 

Conclusie

Naar het oordeel van het CBb heeft de minister niet inzichtelijk kunnen maken waarom hij bij betrokkene wel en bij de andere locaties geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Dit brengt mee dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die duidt op willekeur in de handhavingspraktijk van de minister. De last onder dwangsom en het invorderingsbesluit kunnen daarom geen stand houden en het beroep slaagt.