Procesbelang in de KOT-affaire

Als een ouder zich meldt als mogelijk gedupeerde in de toeslagenaffaire wordt op grond van artikel 2.7 van de Wht eerst een zogenoemde ‘lichte toets’ uitgevoerd. Deze toets houdt in dat aan de hand van een eenvoudige handmatige beoordeling of data-analyse wordt beoordeeld of een ouder vooruitlopend op de integrale beoordeling als gedupeerde kan worden aangemerkt. Als de lichte toets tot een positieve uitkomst leidt, komt de ouder in aanmerking voor de zogenoemde ‘Catshuisregeling’ en wordt bij besluit een forfaitair bedrag van € 30.000,- toegekend. Het definitieve compensatiebedrag wordt vervolgens vastgesteld in de integrale beoordeling, en de uitkomst van deze beoordeling wordt ook in een besluit vastgelegd.

Het is uiteraard ook mogelijk dat de lichte toets leidt tot het oordeel dat een ouder op dat moment niet als gedupeerde wordt aangemerkt en niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag. Voor die ouders is dan nog geen man overboord, omdat ook zij doorstromen naar de integrale beoordeling. Op basis van het volledige dossier wordt dan nogmaals beoordeeld of zij toch als gedupeerde kunnen worden aangemerkt en een compensatie van (minimaal) € 30.000,- ontvangen.

In afwachting van de uitkomst van de integrale beoordeling wordt vaak wel bezwaar ingediend tegen de afwijzing van de lichte toets. Bij de Afdeling lag in een uitspraak van 25 februari 2026 de vraag voor of er nog procesbelang bestaat bij een dergelijke bezwaarprocedure als zowel de lichte toets als de integrale beoordeling tot een afwijzing hebben geleid. Kort en goed oordeelt de Afdeling dat dit niet het geval is. Om als gedupeerde te worden aangemerkt dient de ouder de discussie te voeren in het kader van de integrale beoordeling, aldus de Afdeling. Op zich is dit oordeel van de Afdeling navolgbaar. Pas met de integrale beoordeling wordt een definitief oordeel over de status van een ouder gegeven. Een afwijzing van de lichte toets houdt daarmee enkel en alleen in dat dat moment geen aanspraak bestaat op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- en houdt geen definitief oordeel in over de status van een ouder.

Dit neemt niet weg dat er wel een aantal kritische kanttekeningen valt te stellen bij dit oordeel van de Afdeling. Immers, niet altijd is even duidelijk of het oordeel uit de lichte toets toch niet doorwerkt naar de integrale beoordeling. Dan is voorstelbaar dat een mate van rechtsbescherming toch nodig is en blijft. En stel dat een ouder in (hoger) beroep alsnog als gedupeerde wordt aangemerkt, dan staat daarmee vast dat de lichte toets een onjuiste uitkomst had en een ouder veel eerder aanspraak kon maken op het forfaitaire bedrag. Voorstelbaar is dat een ouder hierdoor schade stelt te hebben geleden en dit mogelijk een proces-belang oplevert, bijvoorbeeld in de vorm van wettelijke rente. Of dit oordeel van de Afdeling het sluitstuk vormt voor dit soort bezwaren, is dus nog niet geheel zeker.