De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft op 20 augustus 2026 een overzichtelijke uitspraak gewezen. De uitspraak gaat over een sluiting van een pand op grond van artikel 13b van de Opiumwet door de burgemeester van de gemeente Eindhoven.
In deze uitspraak wordt helder uiteengezet hoe een artikel 13b Opiumwet-sluiting dient te worden beoordeeld. Voordat de voorzieningenrechter inhoudelijk tot deze beoordeling komt, wordt vastgesteld dat aan het vereiste spoedeisende belang is voldaan. Daarna concludeert de voorzieningenrechter dat direct uitspraak kan worden gedaan in de hoofdzaak, omdat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van deze zaak.
Vervolgens wordt het beoordelingskader, dat van toepassing is bij een artikel 13b Opiumwet-sluiting, uitvoerig doorlopen.
In dit concrete geval stond niet ter discussie dat de burgemeester bevoegd was om het pand te sluiten. In het pand waren namelijk harddrugs aangetroffen en een productielocatie. Ten aanzien van de sluiting was wel de vraag deze noodzakelijk was en of de sluiting voor de duur van twaalf maanden evenwichtig was.
In het kort oordeelt de voorzieningenrechter dat de burgemeester gezien de ernst en omvang van de overtreding de sluiting van het pand noodzakelijk heeft mogen vinden. De sluiting voor de duur van twaalf maanden is echter niet evenwichtig. Voor dit oordeel is allereerst van belang dat de eigenaren van het pand zelf niet de overtreders zijn van de Opiumwet. De huurder is via een gerenommeerd makelaarskantoor uiteindelijk in het pand terechtgekomen, de bedrijfsvoering is in kaart gebracht, de identiteit is gecontroleerd en in de huurovereenkomst stond een verbod opgenomen met Opiumwet strijdige activiteiten. Ook hebben de eigenaren twee weken voor de inval het pand bezocht, foto’s gemaakt en niets aangetroffen dat voor hen als leek wees op een mogelijke productiefaciliteit voor drugs. Door de eigenaren is medewerking verleend aan het politieonderzoek, de sloten van het pand zijn vervangen en er is snel actie ondernomen om de huurovereenkomst te beëindigen. De burgemeester heeft zelf beaamd dat hij is uitgegaan van de goede trouw van de eigenaren.
Desondanks heeft de burgemeester wel het standpunt ingenomen dat de eigenaren enig verwijt kan worden gemaakt. Zij hadden beter toezicht moeten houden op het gebruik van het pand dan zij hebben gedaan. De rechtbank oordeelt echter dat de eigenaren geen betekenisvol verwijt kan worden gemaakt.
De burgemeester heeft verder aangevoerd dat sprake is geweest van een zeer ernstige situatie en heeft daarbij verwezen naar de doelen die hij wil bereiken met de sluiting van het pand. De rechtbank oordeelt echter dat het standpunt enkel onderbouwd is aan de hand van algemene inzichten en aannames over het belang van het sluiten van drugsproductielocaties. Een op de concrete omstandigheden van het geval toegespitste motivering heeft de burgemeester niet gegeven. Zo is niet duidelijk welk doel exact gediend zou zijn bij een sluiting van twaalf maanden, waarom de directe leefomgeving negatief beïnvloed is en waarom het wegnemen van de bekendheid van dit pand niet ook al wordt bewerkstelligd met een korter durende sluiting, gevolgd door verhuur aan een nieuwe huurder. Door de burgemeester is evenmin onderbouwd hoe groot het risico is van een overval of aanslag, welke relevante gevaren voor de directe omgeving zo’n overval of aanslag in het leven roept en hoe dit risico zich verhoudt tot de nadelen die de langdurige sluiting met zich brengt voor de eigenaren.
Kortom, de burgemeester heeft niet draagkrachtig onderbouwd waarom een sluitingsduur van twaalf maanden evenredig is. De voorzieningenrechter voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat het pand voor vier maanden gesloten mocht worden. De voorzieningenrechter kiest in dit geval voor deze termijn omdat niet is gebleken van concrete, op het geval toegespitste omstandigheden die een langere duur rechtvaardigen. Ook hecht de voorzieningenrechter aan het feit dat er drie maanden hebben gezeten tussen de ontdekking van de productielocatie en de daadwerkelijke sluiting.